Motief, nr. 181 van april 2014

Het artikel ‘Een geval van karaktermoord. Over Bernard Lievegoed en Steven Matthijsen’ door Jelle van der Meulen zal verschijnen in het aprilnummer van Motief, nr. 181.

Een geval van karaktermoord. Over Bernard Lievegoed en Steven Matthijsen

Door Jelle van der Meulen

In zijn zojuist verschenen boek Een stap verder beschrijft Nard Besseling een geval van karaktermoord in de antroposofische beweging in Nederland. De ondertitel van het boek luidt: ‘Over het turbulente ontstaan van de Bernard Lievegoed Kliniek’. Het drama dat Besseling belicht maakte deel uit van de moeizame processen die aan de start in september 1992 van de psychiatrische kliniek in Bilthoven voorafgingen. Uit de goed gedocumenteerde beschrijvingen blijkt klip en klaar dat daarbij niet alleen inhoudelijke meningsverschillen, maar ook persoonlijke aversies en het verdedigen van bestaande machtposities een hoofdrol hebben gespeeld.

Steven Matthijsen

Steven Matthijsen

Ik wil mij hier op het handelen van Bernard Lievegoed in deze kwestie concentreren. Om zicht te krijgen op zijn positie in het geheel van de verwikkelingen is het echter eerst nodig een paar omstandigheden kort te beschrijven. Zo was er de onontkoombare – en eigenlijk vanzelfsprekende – omstandigheid dat de overheden van de antroposofen een eenduidig concept verlangden, meningsverschillen moesten dus overwonnen worden. Een volgende omstandigheid was echter dat de betrokkenen er grote moeite mee hadden tot een gezamenlijk voorstel te komen, de afgronden waren te diep. In de kern ging het daarbij om de vraag of de kliniek een afdeling van de (toen nog bestaande) Zeylmans Kliniek zou worden, of dat zij zelfstandig als algemeen psychiatrisch ziekenhuis (APZ) zou worden ingericht.

 

Bernard Lievegoed, hij was inmiddels ruim in de zeventig, speelde geen formele rol in de voorbereidingen, hij was een soort van raadgever op de achtergrond. Samen met ondermeer Cees Zwart, Ate Koopmans, Bart Jan Krouwel en Marko van Gerven, die allen meer of minder relevante bestuurlijke posties innamen, vond hij dat de kliniek onderdeel van de Zeylmans Kliniek moest worden. Hij was van mening dat de psychiatrie alleen op die manier in het geheel van de medisch-antroposofische zorg kon worden geïntegreerd, een apart ziekenhuis wees hij met kracht van de hand. Dat de kliniek uiteindelijk toch een apart ziekenhuis is geworden en dat Lievegoed er niettemin in 1992, dus kort voor zijn sterven, zijn naam aan liet verbinden, is een niet onbelangrijk aspect van het drama.

De belangrijkste voorstander van een zelfstandig psychiatrisch ziekenhuis, dus los van de Zeylmans Kliniek, was de psychiater Steven Matthijsen. Hij behoorde niet tot het sociale netwerk rond de Zeylmans Kliniek en had als psychiater vanaf 1978 met succes een afdeling in de Willem Arntsz Hoeve geleid, waar hij in de jaren daarna tal van antroposofische therapieën had ingevoerd. Matthijsen en zijn medestanders (Frank Ruijl, Briën Bos) benadrukten in de aanloop tot de op te richten psychiatrische kliniek dat een APZ duidelijk meer therapeutische voorzieningen mogelijk maakte; zo konden in een APZ ook langdurig patiënten worden opgenomen, wat in een afdeling van een algemeen ziekenhuis niet was toegestaan. Uit de beschrijvingen van Nard Bessseling leid ik af dat Matthijsen soeverein optrad als een bevlogen en hardnekkige initiator, die bij de vertegenwoordigers van de overheid werd gerespecteerd.

Willem Arntsz Hoeve

Willem Arntsz Hoeve

Terugblikkend kan worden vastgesteld dat de Bernard Lievegoed Kliniek zonder de visie en de inspanningen van Steven Matthijsen nooit zou zijn ontstaan. Het verloop van de gebeurtenissen laat echter zien dat uitgerekend Matthijsen onder schot kwam te staan als initiator, als praktiserend psychiater, maar ook als persoon. Simpel gezegd: veel van de mensen die deel uitmaakten van het sociale netwerk rond de Zeylmans Kliniek zagen hem niet zitten. En Matthijsen kreeg dat ook volop te merken; een antroposofische arts in Zeist – om maar een voorbeeld te noemen – maakte op zeker moment kenbaar dat alle antroposofische artsen in Zeist geen patiënten meer naar Matthijsen door wilden verwijzen. Waarom niet? Dat werd niet duidelijk, concrete bezwaren tegen zijn werk als psychiater werden niet openlijk geuit.

Matthijsen merkte aan alle kanten dat door roddel en achterklap zijn reputatie op het spel stond, tastte met betrekking tot de redenen daarvan echter in het ongewisse. Hij bevond zich dus in de onaangename situatie van iemand die slachtoffer van karaktermoord dreigt te worden. Waarom werd Matthijsen genekt? Besseling stelt in zijn boek weliswaar deze vraag, maar laat het antwoord erop wijselijk open. Ik houd het er echter op dat leden van het netwerk rond de Zeylmans Kliniek de macht met deze vreemde – niet zomaar vreemde, maar zwarte – eend in de bijt niet wilden delen.

 

Berg en Bosch Bilthoven7689-rm514642

Berg en Bosch te Bilthoven

Ik kom nu bij de rol van Bernard Lievegoed in het geheel. Op 11 november 1988 verstuurde Lievegoed een brief aan het bestuur en de artsen van de Zeylmans Kliniek en aan het bestuur van de Vereniging van Anthroposofische Artsen. De volledige tekst van de brief is in het boek van Nard Besseling na te lezen. De brief bestaat uit twee delen, in het eerste maakte Lievegoed duidelijk waarom naar zijn mening de op te richten psychiatrische kliniek onderdeel van de Zeylmans Kliniek moest worden. In zijn ogen moest iedere categoriale afsplitsing ‘principieel’ worden afgewezen. In het tweede deel gaf Lievegoed zijn mening over de persoon van Steven Matthijsen, op een manier waar – een treffender formulering schiet mij niet te binnen – de honden geen brood van lusten. Refererend aan een gesprek dat tussen hem en Matthijsen had plaats gevonden, schreef Lievegoed ondermeer:

‘In het door Steven Matthijsen gevraagde laatste gesprek heb ik hem onomwonden verklaard: Jij hebt mij gevraagd om een oordeel uit te spreken over je eigen positie in de psychiatrische strijdvraag: welnu, jij bent absoluut ongeschikt om een groep te leiden, het tragische bij jou is, dat je altijd juist dàt wil wat je niet kan. Jij bent een “Einzelgänger”, een “lonely hunter”. (…) Alle samenwerking heeft altijd tot polarisatie gevoerd, ook nu weer.’ En: ‘Kort en goed, ik heb hem moeten zeggen dat als hij benoemd zou worden in de vacature van psychiater, er één grote ellende komt. Ik stel vast, dat ik hier met een onvolgroeide persoon te maken heb, wat ik hem ook gezegd heb’. (Onderstrepingen van Lievegoed. JvdM)

 

Bernard Lievegoed Kliniek te Bilthoven

Huidige Bernard Lievegoed Kliniek te Bilthoven

Bernard Lievegoed had ook nog in de laatste jaren van zijn leven een grote invloed in de antroposofisch-medische beweging in Nederland. Zijn brief betekende dan ook de nekslag voor Steven Matthijsen. Wie geïnteresseerd is in de uitwerking van de brief zij verwezen naar het boek van Nard Besseling, hij beschrijft tamelijk nauwkeurig hoe besturen en personen er indertijd mee zijn omgegaan. In de samenhang van mijn bijdrage op deze weblog is het voldoende vast te stellen dat Matthijsen van het verzenden en van de inhoud van de brief lange tijd niet op de hoogte was en ook dat hij tot op de dag van vandaag met de bittere gevolgen ervan te maken heeft.

Mij interesseren vooral drie aspecten. Het eerste is dat Lievegoed de brief aan (twee) besturen zond, niet dus aan betrokken privépersonen. Niet dat het laatste de zaak veel beter zou hebben gemaakt, maar doordat de brief een uiterst negatieve beschrijving van de persoon van Steven Matthijsen bevatte, uiteraard niet voor derden bedoeld, werden de betreffende besturen in een moeilijke situatie gebracht. Zij konden niet anders dan ‘besmuikt’ ermee omgaan. De brief was een openbaar feit dat niet als openbaar feit kon worden behandeld.

Het tweede betreft de oordelen over de persoon van Matthijsen als zodanig, die klinken als de subjectieve oordelen van een hoogst verergerde godfather. Met name de mengeling van quasi psychologische begrippen (‘lonely hunter’, ‘onvolgroeide persoon’) en patriarchale zinswendingen (‘Ik heb hem moeten zeggen dat…’) verraden een gebrek aan soevereiniteit, je zou ook kunnen zeggen: aan wijsheid, die niet paste bij het morele aanzien dat Lievegoed – mijns inziens terecht – in brede kringen genoot. Hij geraakte ermee in tegenspraak tot zichzelf.

50911dc68036e-lievegoed-psychiatrie-bernard-lievegoed-kliniekHet derde aspect betreft de omstandigheid dat het in de brief overduidelijk slechts ogenschijnlijk om de strijdvraag ‘afdeling Zeylmans versus zelfstandig ziekenhuis’ ging. De brief openbaart dat de strijd in feite om de persoon van Steven Matthijsen handelde, wat in het verdere verloop van de ontwikkeling ook glashelder werd. Op het moment dat Matthijsen aan de kant was gezet, vielen de principiële bezwaren tegen de door hem voorgestelde vorm weg en kort daarop zou Lievegoed er zelfs mee instemmen dat zijn eigen naam aan de kliniek als zelfstandig psychiatrisch ziekenhuis werd gegeven.

 

Nu kan een lezer misschien denken: Het kan toch zijn dat Lievegoed met betrekking tot de persoon van Matthijsen eenvoudig gelijk had? Je hoeft echter Matthijsen niet eens te kennen – ik ken hem niet – om te weten dat het antwoord op de vraag alleen maar ontkennend kan zijn. Alleen al de hoeveelheid gram die in de oordelen steekt, verraadt de subjectiviteit ervan. Iets van de oordelen mag een heel klein beetje waar zijn, zoals het ook een heel klein beetje waar is dat er in Londen altijd een natte mist hangt. Maar als een evenwichtige beoordeling van een persoon – hoe trouwens over personen te oordelen? – zijn de woorden van Lievegoed niet serieus te nemen.

Ook kan een lezer denken: de geschiedenis loopt nu eenmaal niet op pantoffels, daar waar gehakt wordt vallen spaanders. Dat is natuurlijk waar en je hoeft geen Alexander de Grote te heten om met goed of slecht recht schuld op je te laden. Maar met het oog op Bernard Lievegoed is nu juist de vraag: hoe kan uitgerekend de man die steeds maar weer opriep tot samenwerking van personen en groepen met verschillende karmische achtergronden, zo blind zijn geweest in eigen queeste? Wat heeft hem in deze geschiedenis parten gespeeld? Waarom heeft hij zijn soevereiniteit niet weten te bewaren?

Interieur Lievegoed Kliniek Bilthoven 1

Interieur Lievegoed Kliniek te Bilthoven

En de lezer kan denken: is het niet beter deze zaak te laten rusten? Het is immers al zo lang geleden… Ten eerste is eerherstel voor Steven Matthijssen op zijn plaats, al was het alleen maar om ontstane wonden te helen. Eerherstel is – juist in de zin van de ‘cultuur van het hart’ van Bernard Lievegoed – een reinigende handeling, die de weg voor het vergeven opent, en vergeving behoort in esoterisch opzicht tot de krachtigste handelingen in het leven. Niet alleen de persoon van Steven Matthijsen heeft hier baat bij, ook de individualiteiten van Bernard Lievegoed en van vele anderen meer zoeken deze verzoening. Die kan alleen plaatshebben wanneer mensen in het hier en nu zich ervoor verantwoordelijk stellen.

Maar het gaat hier niet alleen om personen, het gaat – ten tweede dus – ook om het zelfbegrip van de antroposofische beweging in Nederland als geheel. Ik bedoel hier het volgende mee. Een beweging die zich niet om de ongerechtigheden van haar verleden bekommert, komt – net als de persoon van Bernard Lievegoed in dit geval – in tegenspraak met zichzelf. Zij doet met betrekking tot zichzelf niet wat zij anderen met betrekking tot hun zaken voorhoudt. En juist doordat de details in de openbaarheid verborgen blijven, wordt het besmuikte manoeuvreren dat ermee gepaard gaat, des te scherper geregistreerd.

 

Tot de vruchtbare eigenschappen van Bernard Lievegoed behoorde dat hij ertoe bereid was zijn invloed (macht) ook daadwerkelijk te gebruiken; moeilijke en vaak ook pijnlijke beslissingen schuwde hij niet. Maar in gesprekken met hem heb ik meerdere malen moeten vaststellen dat hij met betrekking tot bepaalde personen in zijn oordelen onvrij kon worden, zich dan inderdaad door een afschuw liet leiden, die diep uit zijn wezen kwam en vanuit de feitelijke omstandigheden maar moeilijk te verklaren viel. Mij lijkt dat op zichzelf niet iets opmerkelijks te zijn, aan personen kleven nu eenmaal altijd ongerijmdheden, ook duistere en onaangename. Voor een begrip van de betekenis van Bernard Lievegoed is echter van belang dat de vraag wordt gesteld: waarop hadden zijn aversies inhoudelijk gezien betrekking?

Locatie voormalige Zeylmanskliniek

Locatie voormalige Zeylmanskliniek

Alleen in het kader van een uitvoerige biografie kan deze vraag worden beantwoord. Maar ik waag het niettemin op deze plaats één enkel aspect te belichten, omdat het mij al zo lang bezighoudt en omdat het in de verhouding tot Steven Matthijsen wellicht ook een rol heeft gespeeld. Mij lijkt het dat Bernard Lievegoed vaak een probleem had met mensen die in hun denken en handelen in staat waren consequent aan bepaalde uitgangspunten (‘waarheden’) vast te houden, mensen dus die de inhoud en de vorm van hun ‘begrippen’ niet aan steeds wisselende omgevingen wensten aan te passen. Lievegoed was extreem ‘situationeel’ ingesteld, een vis in het water van de sociale verhoudingen, daarbij was het echter soms moeilijk zijn uitingen onder één noemer te krijgen. Alleen al aan zijn publicaties is dit te zien, de lezers die hij voor ogen had bepaalden in hoge mate inhoud en vorm van zijn teksten.

Voor Lievegoed’s gevoel waren ‘waarheden’ al snel ‘gefixeerd’, van letterlijke herhalingen hield hij al helemaal niet, hij beschouwde ze als negatieve nawerkingen van de oud-Egyptische cultuur. Zijn behoefte begrippen open te laten is bijvoorbeeld te zien aan zijn notie van een ‘cultuur van het hart’, dat hij eigenlijk nooit nader heeft beschreven, laat staan heeft gedefinieerd; hij beschouwde het begrip eerder als een toegang tot een nog onbestemde ruimte die erachter lag. In die ruimte scheen achter een dik wolkendek een zon, je zag het licht, maar niet de bron ervan. Tal van mensen voelden zich door de notie dan ook aangesproken, zij konden er als het ware hun eigen intenties mee verbinden.

Hij prees ook altijd weer de voordrachten van Rudolf Steiner, hij vond ze ‘beweeglijk’ en ‘open’ en ‘niet gefixeerd’. Ik heb Lievegoed nooit horen zeggen dat hij onder de indruk was van de consistentie bij Steiner, het waren juist de wisselingen in de formuleringen die hem bevielen en tot voorbeeld waren geworden. Een schaduwzijde van Lievegoed ligt dan ook precies in een zekere slordigheid met betrekking tot de begrippen die hij gebruikte. Vooral in antroposofische kringen in Duitsland werd en wordt hij op dit punt bekritiseerd, wat soms zover gaat dat hij in het geheel niet serieus wordt genomen. (Dat ook dit meestal ‘besmuikt’ wordt geuit, hoeft ons niet te verbazen, zie boven.)

willemarntszhoeveDieter Brüll is een goed voorbeeld van iemand die bij Lievegoed steeds weer aversie opriep. Een vertrouwde medewerker van Bernard Lievegoed beschreef de verhouding tussen Brüll en Lievegoed ooit eens treffend als volgt: ‘Daar waar Brüll de haarscherpe floret van het precieze denken inzette, gebruikte Lievegoed aan het slot van de discussie de bijl van de wil’. Deze karakterisering verraadt iets algemeens over het handelen van Lievegoed, dat zich inderdaad richtte op de constructieve (soms ook destructieve, zie boven) werking van de begrippen in een heel bepaalde situatie. Kennis en inzicht waren voor Lievegoed vaak een middel tot een bepaald doel. (Bij Brüll was dit minder het geval, in de regel leidde hij het doel af uit de begrippen die hij ‘begreep’.)

Juist van Lievegoed heb ik geleerd – hij hield vaak niet op erover te spreken – dat de individuele wijze van ons denken, voelen en willen ook een cultureel-karmische aangelegenheid is, die boven onze persoon uitgaat. Hij verklaarde dan bijvoorbeeld: ‘Als je als Viking ooit een inwijding in de Noordse mysteriën hebt doorgemaakt en je ontmoet in je huidige leven iemand die een inwijding in het Griekse Efeze beleefde, moet je erop voorbereid zijn dat eerst een paar grote misverstanden opduiken’. Hij kon dit lachend zeggen, als ging het om grappige aangelegenheden die met humor konden worden genomen. Maar dat het hem zelf niet altijd was gelukt zo luchtig met de ‘misverstanden’ in zijn eigen leven en streven om te gaan, wist hij heel goed, al sprak hij er niet graag over.

Ik denk dat het ook deze zelfkennis was, die hem ertoe bracht steeds weer over een ‘cultuur van het hart’ te spreken.

Jelle van der Meulen, Keulen, februari 2014

 

Het boek Een stap verder. Over het turbulente ontstaan van de Bernard Lievegoed Kliniek kost 14,50 euro en is te verkrijgen via de auteur: Nard Besseling, Ahornstraat 9, 3203 VA Spijkenisse, info@utz.nl, (0181) 61 68 49.

 

Dit artikel is gepubliceerd in Motief. Maandblad voor antroposofie, nummer 181 van april 2014.

Een paar uurtjes in de tuin verblijven?

Angelo Poliziano

Angelo Poliziano

Beste Hans, beste Michel,

Trillingsfrequentie en Renaissance… Tot nu toe heb ik niet het gevoel dat onze brieven tot een hogere trilling voeren, waar dan ook, in wie dan ook, integendeel, mij lijkt het er eerder op dat onze beschouwingen in het luchtledige verdwijnen. Erg gemotiveerd tot het schrijven van een volgende brief ben ik dan ook niet.

Maar je opmerking over Marsilio Ficino helpt me dan toch iets op papier te zetten. De vroege Renaissance houdt me al sinds mijn tweeëntwintigste levensjaar bezig, waarbij ik minder op Ficino en meer op Pico della Mirandola en Angelo Poliziano georiënteerd ben, twee vrienden die tijdens de vroege Renaissance ondermeer in de Platoonse Academie van Ficino actief waren, de eerste als filosoof, de tweede als dichter. Hun oogmerk was het Platonisme (dat tamelijk eenzijdig door Ficino werd gerepresenteerd) te verzoenen met het Aristotelisme. Beiden zijn door vergiftiging om het leven gebracht, als dader komen eigenlijk alleen ofwel de volgelingen van Savonarola of de persoon van Ficino in aanmerking. (Ficino was homoseksueel, hij zou jaloers zijn geweest op de liefdesrelatie tussen Pico en Poliziano.)

In mijn visie klopt het wat Van den Doel over de wortels van de antroposofie zegt: met name het werk van Pico is als een humuslaag in de geschiedenis van het Europese denken te beschouwen waar de antroposofie ongemerkt kracht uit put. Tot de dag van vandaag wordt het werk van Pico echter niet serieus genomen, in filosofische handboeken wordt hij hoogstens in een voetnoot genoemd. Hij is niettemin de bron van twee ideeën die tot de Nieuwe Tijd hebben geleid: de idee van de persoonlijke vrijheid en daaruit voortvloeiend de idee van de biografie als ‘kunstwerk’. Pico was de zon van de vroege Renaissance, tot de dag van vandaag blijft zijn bijdrage helaas achter een wolkendek verborgen.

Poliziano-jpegDe dichter Poliziano was niet alleen bevriend met Lorenzo de Medici maar ook de opvoeder van diens kinderen. Er zijn redenen om aan te nemen dat Poliziano tot de eerste ‘kindheidspedagogen’ gerekend moet worden. Zijn oog viel op het ‘menselijke’ vanuit het perspectief van het kleine kind. (Pedagogen voor jeugdigen en adolescenten waren er al, dat ook met het hele kleine kind een ‘pedagogische’ vraag samenhing, was een nieuw gezichtspunt.) Met mijn goede vriendin Christine Gruwez heb ik ongeveer twaalf jaar geleden een soort van fictieve briefwisseling gevoerd, waarin zij hoofdzakelijk de kijkrichting van Pico en ik die van Poliziano vertegenwoordigde. Pogingen de brieven te publiceren zijn verzand, en toegegeven: het manuscript is nogal ongewoon en omvangrijk. Wie nieuwsgierig is kan bij Nard Besseling verder vragen.

Sandro_Botticelli_-_La_nascita_di_Venere_-_Google_Art_Project_-_edited

De geboorte van Venus door Sandro Botticelli

Ik denk dat de Florentijnse Connectie – inclusief Savonarola – tot de verknopingen in de antroposofische beweging hoort. En ik denk ook dat Rudolf Steiner aan het einde van zijn leven in zijn karmische beschouwingen op weg was deze knoop te beschrijven. Hij is er echter niet meer aan toegekomen, zoals genoegzaam bekend stierf hij te vroeg. De betekenis van de tweede generatie van Renaissancisten heeft hij uitvoerig kunnen belichten: Michelangelo, Leonardo en Rafaël; de werking van eerste generatie, die van de ‘Humanisten’ dus, heeft hij niet meer ter sprake kunnen brengen. En daar ligt de karmische knoop: ‘iets’ kan niet ter sprake worden gebracht, dat onmiskenbaar te maken heeft met de gecompliceerde verwikkeling van geld (Lorenzo), macht (Lorenzo), het spirituele leven (Pico, Poliziano, Ficino, Savonarola) en de kunsten (als uitdrukking van het sociale leven).

Rudolf Steiner heeft dit lastige complex, los van de Humanisten, steeds maar weer aan de orde gesteld, en na hem Joseph Beuys. Als je deze vraagstelling op de geschiedenis van Europa betrekt, valt inderdaad op dat we op dit punt met een knoop te maken hebben, die in de vroege Renaissance is ontstaan. En tegelijk valt op dat op het thema een soort van taboe rust, in het algemeen in de samenleving, maar in de eerste plaats in antroposofische organisaties, die immers door Steiner met zoveel woorden op het thema opmerkzaam zijn gemaakt. Zodra geld en macht aan de orde zijn, gaan de gordijnen dicht, anders gezegd: houdt het denken op. Over de werking van geld en macht wordt in antroposofische samenhangen nauwelijks nagedacht, op dit punt wordt hoogstens gedacht dat de verhoudingen ‘nu eenmaal’ zijn zoals zij zijn.

Pico della Mirandola PortraitPico della Mirandola was een ‘synthetische’ denker, net als Steiner. Hij poogde de verschillende domeinen van het spirituele en het sociale leven op elkaar te betrekken, weg te komen van de (bijvoorbeeld aristotelische en platoonse) tunnels die in de loop van de geschiedenis waren ontstaan. Lorenzo (maar ook al Cosimo) gebruikte de huismacht van de Medici om iets in de samenleving in beweging te brengen. Hij was in feite een soort van bankier die het geld voor hervormingen inzette. En hij liet zich daarbij door zijn vrienden Pico en Poliziano in geestelijk opzicht inspireren, zonder overigens de verbinding tussen geld en macht te kunnen scheiden. In zijn gevecht met het pauselijke Rome bijvoorbeeld ging het hem er vooral om de institutionele macht te ondergraven, zonder daarbij zelf van zijn eigen macht afstand te doen. In de gestalte van Lorenzo wordt een tegensprakige positie duidelijk die je ook in antroposofische organisaties aantreft: de inhoud is vernieuwend, de sociale vorm ouderwets.

Of het nu om de ‘Lievegoed’-groep (Michel) of om de Antroposofische Vereniging (Hans) gaat, in beide gevallen zou de cultuur van het hart moeten leiden naar het openen van de gordijnen, zeg maar: het stellen van nieuwe vragen. Was dat niet de specialiteit van Berard Lievegoed, het stellen van vragen? Ik moet echter bekennen dat ik steeds minder zin heb dit steeds maar weer te schrijven, ik voel me zo langzamerhand een karikatuur van mijzelf. Met mijn vriend Johannes Stüttgen, met wie ik in het kader van de GLS-Treuhandstelle in Bochum samenwerk, had ik een tijdje geleden een gesprek in de trein. Hij zei hetzelfde: het is vermoeiend steeds maar weer (je eigen?) waarheden te moeten uitspreken, tegelijk is het ook waar dat niets anders overblijft. Nou ja, terwijl ik dit schrijf is buiten de zon gaan schijnen. Misschien is het beter met mijn dochter een paar uurtjes in de tuin te verblijven?

Jelle van der Meulen

Trillingsfrequentie

Beste Jelle en Michel,

Met enige aarzeling neem ik de uitdaging van Jelle aan om mij te mengen in de tussen hem en Michel op deze site gaande briefwisseling. Ik heb in de afgelopen jaren heel wat geschreven, met name ook columns, en vind het gedachten in kort bestek onder woorden brengen een interessante aangelegenheid. Maar in het kader van het Parsifal Fonds waren we een bepaalde taakverdeling overeengekomen en wel een waarbij het bijhouden van het weblog een taak is voor Michel en Jelle.

Deze weblog heeft echter met het starten van de briefwisseling mede een wat andere functie gekregen, en wel die van tussenstation voor de te verschijnen publicaties. We vragen ons: af wie was Lievegoed eigenlijk, wat bewoog hem en waarom is het nu nog interessant aandacht aan hem te besteden? Met die briefwisseling zijn we op zoek gegaan naar een of meer invalshoeken voor komende geschriften.

Interieur Villa

Interieur van de Witte Villa van de Vrije Hogeschool

En bovendien blijkt het gewenst nog enige toelichting te geven op de impuls die mij overkomen is en die er op gericht is meer bekendheid te geven aan de betekenis van Bernard Lievegoed, ook voor de komende jaren. Zoals ik reeds in mijn bijdrage over de twaalf impulsen van Bernard Lievegoed heb uiteengezet, heb ik slechts gedurende relatief korte tijd een soort werkrelatie met hem onderhouden door mijn lidmaatschap van het Curatorium van de Vrije Hogeschool. Tevens was ik in de gelegenheid in dat kader enige klasseuren van hem bij te wonen. Hij maakte op mij destijds een krachtige indruk, wat ik me overigens pas later realiseerde.

Nadat ik in 1996 gepensioneerd werd, kreeg ik veel meer tijd om me in esoterische aangelegenheden te verdiepen en wel eerst rond juridische thema’s in het kader van het door mij geïnitieerde Jura Nova, later in het kader van de Stichting Water Drager van Leven.

Gedurende die periode was ik ook lid van de Sociale Sectie van de Antroposofische Vereniging (AViN) en leefde ik mee met de ontwikkelingen rond  bestuur en activiteiten.

Allengs ontwikkelde zich bij mij een gevoel van teleurstelling over de manier waarop  het bestuur en de leden van de AViN met het kostbare goed van Rudolf Steiner omgingen. Ze deden wel enorm hun best om cursussen aan te bieden, goede en inhoudsvolle presentaties te verzorgen en jaarfeesten en overige bijeenkomsten te organiseren.  Maar het bleef vaak bij eenmalige activiteiten, waardoor er zo weinig continuïteit tot stand kwam. Bovendien ontbrak  een gerichte uitstraling naar buiten, naar de maatschappij.

Zo leefde ik vele jaren met dit gevoel, sprak er wel over met enige leden, maar kwam niet tot daden. Wel ontdekte ik dat met het klimmen der jaren mijn geestelijk leven rijker werd. Ik kreeg geestelijke ingevingen en enige subtiele ervaringen. Toen ik in november 2011 weer eens mijn teleurstelling met anderen deelde, kreeg ik de ingeving  dat we zouden kunnen teruggrijpen op de rijke erfenis van Bernard Lievegoed. Hier was iemand die vanuit een innerlijke gedrevenheid de antroposofie in de wereld had gezet. In de daarop volgende maanden werd die impuls tot wilsbesluit om daarmee zelf aan de slag te gaan.

Een eerste start in de Sociale Sectie en een eerste contact met de familie Lievegoed verliepen niet in het door mij beoogde tempo. Daarop legde ik contact met Jelle en Michel. Dat klikte en die waren enthousiast. Beiden roepen bij mij zeer onderscheiden imaginaties op. Jelle zie ik als een unieke komeet, die helderder straalt naarmate het duister toeneemt. Michel ervaar ik als het weldadige schijnsel van een maan met spiegelingen in een (diep) bergmeer.

MINOLTA DIGITAL CAMERA

Rudolf Steiner

Mede door het (her)lezen van zijn boeken en het interpreteren van zijn biografie en die van de door hem opgerichte instituties kreeg ik meer besef van de enorme betekenis van Bernard Lievegoed. Hij had grote ambities en inzichten zowel op het exoterische als op het esoterische vlak. Daarbij gesteund door een (hem – en ook anderen – soms overrompelende) grote wilskracht. Een wilskracht die hem in staat stelde op zijn sterfbed nog aan Jelle een boek te dicteren. Maar uit dit voorval valt ook af te leiden dat hij voelde dat zijn missie eigenlijk nog niet voltooid was.

In de antroposofische wereld werd met gemengde gevoelens op Bernard teruggekeken. Velen werden geraakt door de snelle teloorgang van de door hem geïnitieerde instituties, zoals de Zonnehuizen en het NPI. Een tragiek die nog verscherpt werd door het feit dat het faillissement van Zonnehuizen plaatsvond in het jaar van het heengaan op 101-jarige leeftijd van zijn vrouw Nel Schatborn, de feitelijke kracht achter de Zonnehuizen. Wat  daarvan te denken? Mij werd langzamerhand duidelijk dat deze instituties de vrucht waren van een innerlijke impuls en dat die gezien zijn geestelijke inhoud veruit belangrijker was dan de vergankelijke gedateerde producten ervan. En gaandeweg kwam het besef: hier is niet sprake van een impuls, maar van een veelvoud ervan. Ik kon er een twaalftal detecteren.

Die veelheid vraagt om als tableau te worden geëtaleerd. Een eerste begin daarvan staat op deze site. Maar voor een verdere bewerking zal een keuze moeten worden gemaakt.

Daarbij dient mijns inziens naar een niche te worden gezocht. We moeten niet schrijven over onderwerpen die al sterk in de belangstelling staan en waarover al veel is geschreven. En evenmin over onderwerpen die slechts een beperkte groep aanspreken.

Voor mij is de nadruk die Bernard in dit tijdperk van de bewustzijnsziel legde op de biografie van primair belang. Zijn visie op de ritmen in de menselijke ontwikkeling in relatie tot de zeven cultuurtijdperken had kosmische dimensies. Hij gaf ook persoonlijk biografisch advies aan tal van studenten. Daarbij ging het om het zelf onderkennen van het belang van het biografisch proces als zodanig en voorts om de eigen verantwoordelijkheid voor het verdere verloop van dit proces. Dit geldt zowel voor elk individu, maar ook voor een (karmische) groep zoals de AViN en zelfs voor de maatschappij en cultuur als geheel.

Rond dit thema valt veel te ontwikkelen, waarbij die verantwoordelijkheid in een karmisch perspectief te plaatsen ware. En dat kan dienen om de mijns inziens vertraagde  trillingsfrequentie van de AViN weer op peil te brengen. Wat vinden jullie ervan? Ontwaakt gij die slaapt…

Hans

Tenzij gij mij zegent

Beste Jelle,

Recentelijk las ik ‘Tenzij gij mij zegent. Geschiedenis van de Lievegoed Zorggroep – met vensters op vandaag en morgen’ van Huib van den Doel. Het is uitgekomen ten tijde van de naamsverandering van de Lievegoed Zorggroep tot eenvoudigweg ‘Lievegoed’, wat najaar 2012 feestelijk werd gevierd:

‘Op 22 november organiseerde Lievegoed in Amsterdam het debat Antroposofie, met het oog op een gezonde samenleving.’ (Bron: ‘Barometer’)

Op de website van ‘Lievegoed ®, Antroposofische zorg’ is dit gegeven netjes weggewerkt, want daar is het nergens meer te vinden. Er is echter elders nog een verslag van in te zien, geschreven door Petra Essink en verschenen in ‘Stroom’, het blad van de patiëntenvereniging Antroposana, getiteld ‘Lievegoed zet de deuren wijd open’. Over het boek van Van den Doel wordt daar gemeld:

‘Een omvangrijk en rijk geïllustreerd boek dat een grondig historisch overzicht geeft van de totstandkoming van Lievegoed. Vele mensen, hun verhalen, hun idealen en ook hun teleurstellingen komen, naast vele achtergronden en inhouden, aan bod. Een aanrader voor de betrokkenen en een niet te onderschatten bron van informatie voor mensen die dieper in willen gaan op de achtergronden van de antroposofische gezondheidszorg. Het boek is gratis verkrijgbaar bij Lievegoed door een mail te sturen naar communicatie@lievegoed.nl. Ook te ontvangen als pdf bestand.’

Je zult het vast wel met me eens zijn dat dit boek door het onderwerp onze bijzondere aandacht verdient, alleen al in het licht van de laatste en tot de kern doordringende naamswijziging van ‘Lievegoed’. In zekere zin neemt de geschiedenis van deze onderneming een aanvang op 1 februari 1990, wanneer een psychiatrische kliniek start op het terrein van in Berg en Bosch in Bilthoven, nog zonder expliciete naam. Op 1 december 1991 wordt de kliniek officieel geopend, onder meer met een voordracht door Bernard Lievegoed. Op 2 september 1992 wordt Bernard Lievegoed 87 jaar; op deze laatste verjaardag van hem is hij aanwezig wanneer de kliniek wordt gedoopt tot ‘Bernard Lievegoed Kliniek’, waarbij hij wederom een voordracht houdt. Ruim drie maanden later overlijdt hij.

Lievegoed - Antroposofische zorgWat het lot is van deze Bernard Lievegoed Kliniek wordt nauwgezet beschreven in het genoemde boek. De kliniek kent enerverende lotgevallen, waarvan ik hier enkel de twee grote stappen vasthoud. In 2002 vindt een fusie plaats van de Bernard Lievegoed Kliniek met Arta (verslavingszorg), wat leidt tot de Arta-Lievegoedgroep. In 2005 is er vervolgens een fusie van deze nieuwe organisatie met de Ita Wegman Stichting, waarbij de naam van het geheel wijzigt in Lievegoed Zorggroep. Die naam is dus zeven jaar later weer verlaten en vervangen door ‘Lievegoed’. Het boek houdt echter net voor dat moment op, zodat de reden hiervan niet genoemd wordt en buiten het bestek van het boek valt. In die twintig jaar is er in ieder geval het nodige gebeurd.

Universitas

Mijn vraag zou zijn: zou de organisatie met de naam Lievegoed, of misschien nog beter: zouden de medewerkers bij Lievegoed, iets kunnen hebben aan waar wij ons nu mee bezighouden? En hoe moet dat er dan uitzien? Dan heb je meteen ook de periode van ruim twintig jaar overbrugd, waar ik het de vorige keer over had, sinds de dood van Lievegoed. Het zou mooi zijn als de Lievegoed waar wij ons op richten, kan landen bij de Lievegoed-organisatie die zijn naam draagt, zou ik denken. Niet alleen daar natuurlijk, maar het zou wel een mooi kristallisatiepunt kunnen zijn.

Er zijn meer instanties die de naam Lievegoed dragen. Daar zou je ook naar zo’n soort verbinding op zoek kunnen gaan en een onderzoek kunnen beginnen. Ik denk bijvoorbeeld aan de ‘Bernard Lievegoed Leerstoel inzake ethische aspecten van de zorg- en hulpverlening vanuit de antroposofie’, zoals die door prof. dr. Hans Reinders sinds 2005 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam wordt ingevuld. Dan is er sinds vorig jaar het ‘Lievegoed Fonds voor wetenschap’ binnen de Iona Stichting, en het daar aanpalende ‘Lievegoed Academisch Netwerk’, een nieuwe vorm van de vroegere ‘Netwerkuniversiteit’ dat onderdeel was van de ‘Stichting Prof. Dr. Bernard Lievegoed Fonds’, fonds voor antroposofisch wetenschappelijk onderzoek, dat bestond van 2006 tot 2012.

Villa BLCLAOf wat te denken van de ‘Bernard Lievegoed University’, de vroegere ‘Vrije Hogeschool’ in Driebergen, die ook een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt? Gestart in 1971, werd de naam 37 jaar later veranderd in ‘Bernard Lievegoed College for Liberal Arts’. Om vier jaar later tot ‘University’ omgedoopt te worden.

Ons doel is een of meer monografieën over of in verband met Bernard Lievegoed te schrijven. Het idee was om dit schrijfproces gepaard te laten gaan met een weblog, waarin de voortgang gedocumenteerd en door iedereen gevolgd kon worden. Waar zouden we beginnen? Lievegoed heeft in zijn leven drie initiatieven genomen die tot complete organisaties zijn uitgegroeid. Achtereenvolgens het Zonnehuis (gehandicaptenzorg), het NPI (organisatieadvieswerk) en de Vrije Hogeschool (voor studenten). Hij was bij nog meer succesvolle initiatieven betrokken, meer deze waren heel persoonlijk gemotiveerd en staan in ieder geval als een paal boven water. Ook al is het leven ervan niet oneindig gebleken, of in ieder geval geschikt voor een ‘total makeover’. Het leek zinnig om een van deze drie als aangrijpingspunt te nemen om daar vanuit aan het werk te gaan, en we kozen daarvoor zijn laatste initiatief, op het gebied van het tertiair onderwijs. Zo hebben we het ook in december nog genoemd in ‘De Vrije Hogeschool en Bernard Lievegoed’.

Onze hoop en verwachting om op deze manier doelgericht te werk te kunnen gaan, werden niet bewaarheid: er ontbreken momenteel voldoende van de daartoe nu eenmaal noodzakelijke middelen. Wat dan? Zo werd het idee geboren om een briefwisseling te beginnen, een openbare correspondentie op ons weblog, waardoor we als schrijver vrijer zouden zijn in de vorm en het onderzoekende karakter zichtbaarder en duidelijker naar voren kon komen. Dat is waar wij nu staan. We hebben in de vijf brieven tot nu toe al aardig wat thema’s en vragen de revue laten passeren. Bovendien heeft onze zeer gewaardeerde voorzitter van de Stichting Parsifal Fonds Hans Wessel verschillende waardevolle bijdragen geleverd met teksten die als aparte pagina’s zijn opgenomen.

In ‘Nieuwe impuls voor Lievegoed’ op 3 december 2012 werd de meer historische benadering die ik hierboven aanstipte al uiteengezet. In ‘De Vrije Hogeschool en Bernard Lievegoed’, eveneens op die datum gelanceerd, werd gefocust op jonge studenten in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, op wie Bernard Lievegoed zijn initiatief afstemde, waarna hij vervolgens wilde koersen op een Vrije Europese Academie voor Wetenschappen. Daarbij vroegen wij naar de rol van de wetenschap in de maatschappij en naar de geestelijke achtergrond van het werk van Lievegoed, in het kader van de maatschappelijke betekenis van de antroposofie.

Recapitulatie

oognaaldIn ‘Waarom eigenlijk?’ op 3 februari ging onze eigenlijke correspondentie van start, waarbij jij, Jelle, uitging van de vraag waarom wij ons met Lievegoed willen bezighouden. Voor jouzelf lag dat in de eerste plaats in een bepaald gevoel van onafheid in verband met Over de redding van de ziel. Lievegoed onderzocht daarin de geestelijke achtergrond van de vraag waarom de antroposofie zich in een maatschappelijk isolement bevindt. Het heeft tot lang na publicatie geduurd voordat jijzelf echt begon te begrijpen hoe dat volgens Lievegoed zat. ‘Bernard Lievegoed wilde de wekroep van Mani met de middelen van de antroposofie in het centrum van zijn handelen plaatsen’, schrijf je daar. Dat zou je willen onderzoeken. Een cultuur van het hart was waar het hem en ook jou om gaat.

In ‘Opheldering zoeken’ op 20 februari keek ik naar mijn eigen relatie met Lievegoed, hoe ik hem in en buiten de Zonnehuizen in de jaren tachtig was tegengekomen. Dat betrof ook zijn belangstelling voor mysteriestromen. Was zijn opkomende interesse voor het manicheïsme helemaal aan het eind van zijn leven dan wel zo anders en bijzonder?

Jij riposteerde in ‘De wil tot het goede’ op 10 maart dat er, ondanks de onderlinge verwantschap die er zeker ook bestaat, een groot verschil is tussen de drie stromingen die Lievegoed op het eind van zijn leven zo duidelijk onderscheidde, en die aangevoerd worden door Steiner, Rosenkreutz en Mani. Bij de antroposofie staat in zekere zin de vraag naar de waarheid voorop, wat, als je niet oppast, makkelijk kan ontaarden in een onvruchtbare opstelling. Om juist het goede te gaan doen, om niet stil te blijven staan maar in het handelen te komen, is er niet zo’n uitgestippelde route. Dan moet je je vol vertrouwen durven storten in het onbekende, zonder van een goed resultaat verzekerd te kunnen zijn. ‘De wil tot het goede leidt tot handelingen inzake mensenrechten, armoede, milieubeheer, misbruik in alle mogelijke vormen’, gaf jij als voorbeelden hiervan, waarbij antroposofen echter aan de zijlijn staan. ‘Abstracties overwinnen’ las ik ook in jouw slot, en dat is iets wat iedereen tegenwoordig wel uit eigen ervaring kan herkennen.

In mijn ‘Gevoelstemperatuur’ op 24 maart sputterde ik een beetje tegen het aanbrengen van een al te strikte scheiding tussen hoofd en hart, denken en doen, theorie en praktijk. Ik zocht naar concreetheid, zoals Lievegoed die voorleefde, om deze scheiding te kunnen opheffen. Ook om de abstracties voor te blijven. Die concreetheid bestaat voor mij bijvoorbeeld uit de persoonlijke levenservaringen van mensen; die kunnen hierbij een goede leidraad zijn. De drie biografieën in Over de redding van de ziel waren in dit opzicht voor mij een schoolvoorbeeld. En de ontwikkelingen die hadden plaatsgevonden in de initiatieven die Bernard Lievegoed had genomen, sinds hij was overleden, ook die leken mij een goed richtsnoer te kunnen vormen in ons spirituele zoeken.

Kind met duifIn jouw laatste brief, ‘Oorspronkelijke impuls’ van 8 april, gaf je te kennen niets te zien in dualiteiten die ik hiervoor noemde. En je toonde je geprikkeld dat ik je te grote woorden toedichtte, alsof ik wat je schreef theoretisch zou vinden. Je voerde dat terug op een mogelijk verschil in kijkrichting. Maar dat verschil beleef ik helemaal niet zo; en theoretisch vind ik jouw benadering al helemaal niet! Ik probeer wel eerlijk naar mijn beperkingen te kijken en aan te geven wanneer ik dingen tegenkom die ik niet uit mezelf kan putten, zodat ik moeite moet doen om erbij te komen. Als ik het over fikse beweringen en reuzenstappen heb, bedoel ik dat ik kleinere tussenstappen nodig heb en zaken eerst nader moet bekijken en ontleden, voordat ik me die eigen heb gemaakt. Het zegt dus meer over mijn eigen onvermogen, dan dat ik kritiek op jou uitoefen. Daar zie ik en heb ik ook helemaal geen reden toe.

Erg mooi vind ik jouw formulering van de verschillende ‘regionen in de (geestelijke en aardse) werkelijkheid’. In mezelf beleef ik al verschillende regionen, waar ik verschillend mee moet omgaan. Dan is het niet moeilijk om die ook in het groot te herkennen. En dat we onderling verschillende aanzetten kennen, dat is ook niet vreemd. Jij hoopt dat Hans die van hem nog eens wil accentueren, misschien helpt dat in onze zoektocht. Ik heb niet zo veel ervaring met zo’n discours; het is voor mij al een hele onderneming om zo’n correspondentie zoals wij die nu voeren gestalte te geven. Maar ik verlaat mij graag op mensen met meer ervaring en ben altijd benieuwd wat anderen hebben in te brengen.

Ficino

Deze brief is alweer veel te lang geworden; dat heeft ook te maken met mijn behoefte om te recapituleren en enigszins orde te scheppen. Lezen en herlezen helpt mij namelijk om te pakken te krijgen waar het eigenlijk om gaat. Er waren nog twee dingen die ik graag in deze brief ter sprake wilde brengen. Het voert echter te ver om dat nu ook werkelijk te doen. Misschien de volgende keer. Maar ik mag nu vast wel een tipje van de sluier oplichten.

Ik las namelijk ‘Makrokosmos und Mikrokosmos’, de reeks voordrachten die Steiner in 1910 in Wenen hield (GA 119 voor de kenner) en die gepland staat voor volgend voorjaar als nieuwe uitgave in de reeks van de Rudolf Steiner Vertalingen. Dat was Lievegoeds favoriete reeks, zoals hij bijvoorbeeld in ‘Mens op de drempel’ uiteenzette. Ik was er nooit aan toegekomen en had die dus nog niet eerder gelezen. Mij trof in de laatste twee voordrachten dat Steiner blijkbaar al die tijd had toegewerkt naar een goed begrip van de ‘logica van het hart’, die de ‘logica van het verstand’ moet gaan aflossen. Dat is een buitengewoon interessant thema. Bovendien vielen mij bepaalde overeenkomsten op met die andere favoriete reeks van Lievegoed, veertien jaar later door Steiner gehouden: ‘Het bewustzijn van de ingewijde’ (GA 243). Ik kan het nu alleen maar noemen en er niet op ingaan.

FicinoHet andere is waar ik mee begon, de geschiedenis van de Lievegoed Zorggroep, beschreven door Huib van den Doel. Zijn boek is tegelijk ook een persoonlijke geschiedenis, omdat hij zelf er zo nauw bij betrokken was. Hij was namelijk gedurende ruim twaalf jaar voorzitter van de Raad van Toezicht, van 1998 tot 2011, en heeft in die hoedanigheid de beide eerdergenoemde fusies in letterlijke zin meegemaakt. Hij was trouwens ook nog op andere manieren betrokken bij de antroposofische gezondheidszorg. Nu is het interessante dat hij de spirituele bronnen van deze gezondheidszorg in het derde hoofdstuk nader onderzoekt, en deze, in tegenstelling tot wat in antroposofische kringen gebruikelijk is, terugvoert tot de Renaissance. De hoofdbron van de antroposofie was in de zestiende eeuw in Europa een breed aanvaard gedachtegoed, zo stelt hij. Hij voert daarbij in concreto Marsilio Ficino (1433-1499) aan, en noemt hem een neoplatonist die, ‘na als arts te zijn opgeleid, filoloog, filosoof en priester’ is geworden. In diens kielzog noemt hij verder Paracelsus (1493-1541) als belangrijke exponent van een nieuwe geneeskunde. Pas daarna komt ook Ita Wegman aan bod (1876-1943) en uiteraard Rudolf Steiner (1861-1925) Lievegoed zelf komt er enigszins bekaaid vanaf. Hoe moeten we dit zien?

Met een hartelijke groet uit het Rotterdamse,

Michel Gastkemper

Oorspronkelijke impuls

Beste Michel,

Je meent dat mijn brief grote woorden, fikse beweringen en reuzenstappen met zevenmijlslaarzen bevat en dat de inhoud ‘theoretisch’ is. Ik zelf zie dat niet zo. Ik vind de gedachten die ik onder woorden probeer te brengen eigenlijk tamelijk praktisch, dichtbij zo je wilt, niet speciaal groot of klein. Ik vertrouw erop dat zij, als zij niet allen ter kennisneming aangenomen maar ook werkelijk gedacht worden, iets kunnen bewegen.

-aristotle (1)Ik wantrouw de toepassing van deze twee populaire begrippen, theorie en praktijk, die op een tweeheid berust, op een dit of een dat. In werkelijkheid maakten zij ooit deel uit van een drieheid, zie bijvoorbeeld Aristoteles, die het immers had over theoretische, praktische en productieve wetenschappen of ‘kunsten’. Verrassend is dat in de samenhang van zijn beschouwen theorie met denken, praktijk met voelen en productiviteit met willen te maken heeft. Praktijk met voelen? Juist die samenhang verdwijnt in de tweeheid van theorie en praktijk, het laatste wordt dan gezien als ‘doen’, als willen dus. Nu zul je misschien ook deze woorden groot en fiks en theoretisch vinden, als je naar Aristoteles verwijst, loop je tenslotte altijd het gevaar als een niet zo praktisch mens te worden gezien. Ligt hier misschien het punt waar onze kijkrichtingen uit elkaar gaan?

Maar laat ik productief blijven… Mijn punt is dat de antroposofie weliswaar alles omvat – je gebruikt het mooie beeld van het zaadje – maar tegelijk zich in een heel bepaalde geestelijke ‘regio’ bevindt, namelijk die van de indaling van de kosmische intelligentie in de menselijke ervaring. Je kent de imaginatieve voorstelling die Rudolf Steiner ontwikkelde: de aartsengel Michaël (op weg een archai te worden) doet afstand van het beheer van de kosmische intelligentie en legt de verantwoording ervoor in de hoofden en harten van de mensen. De taak van de antroposofie is dit proces in beweging te brengen, tot in het openbare leven, en daarvoor is volgens Steiner nodig, dat de harten van de mensen tot een orgaan-van-inzicht worden.

Nelson MandelaEr zijn echter andere regionen in de (geestelijke en aardse) werkelijkheid, die aan de ene kant op het lukken van bovengenoemde indaling aangewezen zijn, maar aan de andere kant een geheel eigen dynamiek hebben, met specifieke intenties en gedragingen. Om een voorbeeld te noemen: de taak van Nelson Mandela lag niet in het omvormen van de kosmische intelligentie, maar in het overbruggen van afgronden tussen grote groepen van mensen, het overwinnen van de apartheid dus. In zijn ‘denken’ zijn inderdaad krachtige ‘michaëlische’ elementen te vinden, die hij nodig had om de juiste koers te vinden en eraan vast te houden. Maar de kern van zijn werk ligt niettemin in een andere regio van de werkelijkheid: hij ‘offerde’ zijn vrijheid om de weg tot het inclusieve sociale leven vrij te maken. Het biografische offer is een kenmerk van het manicheïsme in de zin van Bernard Lievegoed.

-Mandela_2_0Nu is Nelson Mandela, net als Aristoteles, natuurlijk ‘groot’ en ‘fiks’, het is waarschijnlijk ‘praktischer’ naar de ‘dagelijkse’ dingen te kijken. Mandela zelf zou echter zeggen: mijn leven was verdomd dagelijks! Maar goed, kijken we naar de ‘dagelijkse dingen’, naar ‘ons’, ik bedoel nu naar Hans, naar jou, naar mij, naar hoe wij met elkaar varen… In deze constellatie, die ik ‘karmisch’ noem, komen naar mijn gevoel drie perspectieven samen, die met enige goede wil te herkennen zijn. Ik begin bij Hans, want in hem vond onze ‘onderneming’ de start. Mij raakt steeds maar weer het feit dat hij ons in de gesprekken, maar ook tussendoor in zijn e-mails, op een heldere en besliste manier voortstuwt, hij wil beweging brengen. Hij is niet op de eerste plaats in bepaalde ‘waarheden’ geïnteresseerd, die hem gepakt hebben en die hij in het middelpunt wil plaatsen, maar heeft een oog voor de waarheden van andere mensen en wil ze in gesprek brengen, wil dat er een ruimte wordt geopend, waar de verschillende ‘waarheden’ in een ‘productieve’ dialoog komen, die tot ‘iets’ leidt. Wat dit ‘iets’ precies betekent, weet ik nog niet, dat hindert ook niet, maar het heeft op de een of andere manier met een gemeenschap te maken, misschien met wat wij de ‘antroposofische beweging in Nederland’ plegen te noemen.

Bij jou, Michel, ervaar ik iets anders. Om te beginnen ben je, net als ik, niet een persoon die voortstuwt, je wacht eerder af, wikt en weegt, blijft bij de kleine-grote dingen van het leven, blikt op ontwikkelingen, vertragingen, mogelijkheden, versperringen… Maar net als Hans zijn het niet bepaalde waarheden die in je branden, eerder ervaar ik het zo dat je in een verantwoording staat, die je overigens zelf hebt gekozen, en waar je ogenschijnlijk vanzelfsprekend trouw aan blijft. Je weblog is hiervan een mooi voorbeeld. Je brengt een zekere rust mee, een innerlijke terughouding, die ruimte biedt voor bewuste verandering, voor omvorming. Ook bij jou gaat het om een gemeenschap, misschien ook wel ‘de antroposofische beweging in Nederland’, maar een beetje sterker als bij Hans kijk je daarbij ook naar de maatschappij. Bij jou ontstaat het beeld van een soort van innerlijke werkplaats, een lab, waar mensen niet zondermeer toegang toe vinden of krijgen, en waar jij haast onzichtbaar voor ‘de gemeenschap’ werkt. Het werk zelf promoot je niet, maak je in zekere zin niet eens kenbaar. Mensen merken het of merken het niet.

Over mijzelf iets zeggen vind ik lastig, maar waar is zeker dat ik door bepaalde ‘waarheden’ gevoerd wordt. Mij heeft een heel bepaalde visie gegrepen, die ik ook steeds weer onder woorden breng. Iemand heeft mij ooit ironisch een ‘profeet’ genoemd, deze karakterisering – de ironie inbegrepen – kan ik accepteren. Wat bij mij niet sterk aanwezig is, is de oriëntatie op een bepaalde grotere gemeenschap, ik heb alleen een relatie tot kleine groepen, tot mensen en constellaties van mensen die ik met naam en toenaam ken. Als het om zoiets als ‘de antroposofische beweging in Nederland’ gaat, ben ik eerder sceptisch, of anders gezegd: ik heb geen gevoel voor de ‘eenheid’ die deze naam draagt. Mijn ‘waarheden’ hebben betrekking op de ‘missies’ van mensen, op de spirituele betekenis van wat individuele mensen doen.

-dijkTot zover mijn beschrijvingen van Hans, van jou en mij, van onze ‘constellatie’. Ik kan, maar dat begrijp je, in de context van deze brief op dit punt niet echt uitpakken; over zulke dingen in de openbaarheid schrijven gaat nu eenmaal niet. Maar ik geloof dat ik voldoende heb gezegd om er een idee van te krijgen van wat – in de zin ook van de cultuur van het hart van Lievegoed – bedoeld kan zijn met samenwerking. In productieve gemeenschappelijke bezigheden, die overigens naar mijn mening in de samenhang van instituten alleen met de positieve inzet en de onbevangenheid van alle betrokkenen te realiseren zijn, spelen altijd verschillende intenties, vaardigheden en werkstijlen een grote rol. Die moeten niet alleen gerespecteerd, maar ook actief ondersteund en vrij gemaakt worden.

Instellingen – bijvoorbeeld zogenaamde geldgevers – leggen zich institutioneel vast, zij menen min of meer objectieve ‘regels’ te moeten opstellen om transparant te kunnen handelen, formuleren in andere woorden beleid. Het verlangen naar helderheid is uiteraard terecht, de vraag is alleen of die in ‘beleid’ kan worden gevonden. Ik geloof daar niet meer in, domweg omdat beleidsmatige richtlijnen altijd op de ervaringen van de dag van gisteren berusten. Zij hebben de neiging zich als een sluier te leggen over de dingen die zich vandaag aandienen. Of om het menskundig te zeggen: onze voorstellingen (daar zijn we wakker) zijn nooit in staat onze wilsimpulsen (daar slapen we nog) te voorspellen. Ik ben er dan ook geen voorstander van als Stichting Parsifal Fonds vast te leggen wat we precies willen, ik denk dat we dit eenvoudig nog niet weten, hoogstens hebben we een vermoeden, een gevoel (daar dromen we) van een richting… In de antroposofische beweging, zo is mijn indruk, bestaat echter onder invloed van het maatschappelijke denken steeds sterker de neiging zich in de wereld van de voorstellingen terug te trekken, wat inhoudt dat ‘conceptioneel’ gewerkt wordt. Het gevolg is dat steeds meer mensen met wat zij werkelijk willen buiten het speelveld komen te staan, je zou kunnen zeggen: toeschouwer worden.

-dijk-4-koehool-ogbVan belang lijkt mij te zijn dat we ons laten leiden door de oorspronkelijke impuls van Hans, in zijn ‘wil’ heeft onze samenwerking een begin gevonden, een startpunt. Om ‘zoden aan de dijk te kunnen zetten’ (Wat bedoel je hier eigenlijk mee? Wat zweeft je daarbij voor ogen?) zullen we stil moeten staan bij de intenties van Hans. Misschien moeten we hem bij deze briefwisseling betrekken? Ik ben benieuwd naar je reactie.

Jelle van der Meulen

Gevoelstemperatuur

Beste Jelle,

Over de redding van de ziel - Nederlands 3Je bevestigt dus dat we allemaal deel van het probleem zijn. Dat probleem hebben we geformuleerd als: de antroposofische beweging bevindt zich in een maatschappelijk isolement. Hieraan hebben we de vraag gekoppeld: waarom is dat zo? Dit probleem hield Bernard Lievegoed bezig, waarop hij tot aan het eind van zijn leven een oplossing zocht. En die toen ook min of meer vond, zoals uiteengezet in zijn (en tegelijk ook jouw, jij hebt dit boek tenslotte uit zijn mond opgetekend) Over de redding van de ziel.

Wat we volgens jou in je vorige brief niet moeten doen, is Steiner als grondlegger van de antroposofie nemen als de eeuwig de waarheid sprekende allesweter, perfect en zonder fouten. En in het spoor van Lievegoed niet de waarheid boven de wil tot het goede plaatsen. Kort gezegd: denken is niet hetzelfde als doen. Gelukkig voeg je er wel aan toe: ‘Het blijft echter waar dat handelingen alleen dan op langere termijn vruchtbaar zijn, wanneer zij gepaard gaan met een streven naar geestelijk begrip.’

Dat zijn allemaal grote woorden, fikse beweringen, reuzenstappen met zevenmijlslaarzen. Ze roepen bij mij meteen allerlei vragen op. Mijn zorg erbij is hoe we uit een theoretisch vaarwater kunnen blijven. Want dat begrijp ik wel uit je brief: tot in het oneindige kunnen we intelligent strijden over dit en over dat. Maar de hamvraag is en blijft, zeker in de optiek van Lievegoed: zet het ook zoden aan de dijk? Het mooie van Lievegoed is dat hij zijn idealen een concrete vorm wist te geven, een succesvolle vorm ook, die aansloeg en relevant bleek voor het maatschappelijke leven. Niks maatschappelijk isolement zogezegd. Een schoolvoorbeeld voor de antroposofische beweging?

Maar ik wil eerst een misverstand uit de weg ruimen. In het begin van je vorige brief schrijf je: ‘Belangrijk is uiteraard je bezig te houden met wat Steiner allemaal heeft gezegd, maar heeft hij, zoals jij jezelf kennelijk voorhoudt, inderdaad alles gezegd?’ Ahum, maar dat is niet wat ik mezelf voorhoudt. Ik stelde wat anders op het eind van mijn laatste brief, namelijk deze vragen: ‘Want in de antroposofie en in wat Steiner aan zaken aan het licht heeft gebracht, zit toch eigenlijk alles al? Daar heb je toch niet nog iets naast nodig? Wat ontbreekt er dan eigenlijk?’

Dat was meer bedoeld in de zin van: in een klein kiemend plantje zit alles toch eigenlijk al. De hele plant met zijn lange stengel, bladeren, bloemen, vruchten. Die moeten alleen nog allemaal tevoorschijn komen. Dat gebeurt als de voorwaarden ervoor aanwezig zijn: vruchtbare grond, voldoende water en een goede afwisseling tussen dagelijks zonlicht en nachtelijk duister. Dan is het gek als je zegt dat er een bepaalde struik of boom ontbreekt, omdat je die niet ontwaart bij dat kiemende plantje.

Overigens had Ridzerd van Dijk uit Friesland nog geen twee weken geleden op zijn onvolprezen ‘De grote Rudolf Steiner Citatensite’ een pracht bijdrage aan onze discussie, waarschijnlijk zonder zich hiervan bewust te zijn. Onder de titel ‘De waarheid heeft verschillende vormen’ citeerde hij Steiner als volgt:

‘Er is geen absolute waarheid; elke waarheid heeft haar missie in een bepaalde tijd. En als we nu van antroposofie spreken, dan weten we dat, als we worden wedergeboren, we iets anders horen en in geheel andere wijze tot elkaar zullen staan. Kijken we terug in tijden dat wij wellicht al eens samen zijn geweest in een of ander gebied in het noorden van Europa, waar mensen zich rond de Druïdepriester verzamelden, die hen de waarheid in de vorm van mythen en sagen vertelde. Zouden we daarbij niet toegehoord hebben en zouden onze zielen niet daardoor gevormd zijn, dan zouden we niet begrijpen wat de antroposofie ons tegenwoordig in een andere vorm weer als waarheid brengt. En als we weer komen zullen, zal in andere vorm gesproken worden, in een hogere vorm. De waarheid ontwikkelt zich zoals alles in de wereld. Zij is de vorm van de goddelijke geest, maar de goddelijke geest heeft vele vormen. Doordringen we ons met dit karakter van de waarheid, dan zullen we een heel andere verhouding tot haar winnen. We zullen onszelf zeggen: Weliswaar leven we in de waarheid, maar zij kan verschillende vormen hebben.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart 1 september 1906 (bladzijde 109)’

222.2.18.3.1923-ind_1Ik bedoel maar. Steiner heeft het gezegd! – Terug naar mijn vragen. Ik kan naar duidelijkere omschrijvingen vragen: wat is bedoeld met ‘de antroposofische beweging’, wat is precies ‘een maatschappelijk isolement’? En hoe weet je op een gegeven moment dat je ‘de wil tot het goede’ doet? Daarnaast komt er bij mij een andere behoefte op door deze zin van jou: ‘Met de open vraag naar de aard en de werking van het kwaad is de Europese cultuur in de postmoderne tijd aangekomen, lees bijvoorbeeld Hannah Arendt, Walter Benjamin, Michel Foucault…’ Ik moet bekennen dat ik geen van deze drie schrijvers zelf gelezen heb, geen enkel werk van hen (Walter Benjamin is in feite zelfs een nieuwe naam voor mij). Dus als je daar iets meer over zou willen vertellen, graag!

Hiermee komt meteen een probleem naar voren, laten we zeggen een typisch antroposofisch probleem: dat ik niet op de hoogte ben van deze drie prominenten, maar wel thuis in Steiner. In die vijfendertig jaar dat ik me nu met Steiner bezighoud, heb ik vooral op hem gestudeerd om hem beter te gaan begrijpen. En op de geschiedenis van de antroposofie in de twintigste eeuw. Maar daarmee heb ik een heel aantal dingen van later tijd, van mensen die meer mijn eigen tijdgenoten zijn, gemist. Dat is niet erg best. Ik troost me met de gedachte dat ik, naast algemene geschiedenis, zeker wel geïnteresseerd ben in hedendaagse culturele, politieke, maatschappelijke ontwikkelingen en het nieuws en de achtergronden daarvan graag volg. Maar is dat genoeg?

Hoe dan ook, dat is mijn vertrekpunt. Net als dat ik vooral gericht ben op het begrijpen van de zaken. Pas als ik iets enigszins begrepen heb, er een gevoel voor heb gekregen, kan ik ook bewust en adequaat handelen. Zo voelt het tenminste voor mij. Daarom vond ik Over de redding van de ziel ook zo’n mooi en goed boek. Dat gaf mij inzicht in een aantal zaken. En wat bijna nog belangrijker was: het deed dat in alle openheid. Het beschreef de historische wordingsgang van drie verschillende sterke persoonlijkheden die zeer krachtdadig initiatieven hadden ontplooid. Het meest bijzondere daaraan was dat de beschouwing hiervan niet beperkt bleef tot één leven. Nee, consequent werd die initiatiefkracht gezocht en vervolgd door een opeenvolgende reeks van levens op aarde, die met naam en toenaam genoemd werden.

Über die Rettung der Seele 2We schrijven precies twintig jaar geleden, toen kwam dit boek uit. Dat was een mijlpaal, want niet eerder was dit zo openlijk gedaan, het noemen van die reeks van levens, van die biografieën. Er werd werkelijk iets opengedaan, wat voordien gesloten was. Ik weet zeker dat dit te maken had met een andere publicatie, die kort tevoren verschenen was. Op basis daarvan was dit mogelijk geworden. Ik doel op de drie delen die Emanuel Zeylmans schreef over Ita Wegman. Het eerste deel, het belangrijkste wat dit aangaat, verscheen najaar 1990, de twee andere delen twee jaar later. Daardoor kon Lievegoed met recht schrijven over een van de drie krachtpatsers die hij in het vizier had, omdat die lange tijd was omgeven door onduidelijke en oncontroleerbare verhalen. Die mist was nu opgetrokken.

Maar er waren dus nog twee andere figuren. Daar wist Lievegoed echter ook wel weg mee. Dat vond ik frappant; hij had zich terdege in hen verdiept, en kon daardoor een heel aannemelijk beeld schetsen van deze andere twee protagonisten. Hij ontwarde hierdoor een vlechtwerk van onduidelijkheden, waar weinig mensen tot dan toe helderheid in hadden kunnen verschaffen. Deze ontvlechting was werkelijk als een ontknoping, in ieder geval voor mij, en daarmee een van de aantrekkelijkste kanten van dit boek. Alles rustig en kraakhelder op een rij, heerlijk!

Dit was echter nog maar de ene helft van het boek, de andere helft ging vooral over welke betekenis dit alles had (of zou kunnen hebben) voor antroposofen. Of hetzelfde ook de betekenis voor de antroposofie (in tegenstelling tot die voor antroposofen) gold, waag ik te betwijfelen. Mij was in ieder geval wel duidelijk dat je een affiniteit zou kunnen hebben met een van de drie gevolgde personen (‘individualiteiten’ zou ik nu in antroposofisch jargon moeten schrijven), of ook alleen maar met een of enkele van de vele levens die in die reeksen ter sprake kwamen. Dat leek mij ook het meest aannemelijk, en het meest vruchtbaar, dat je kijkt met welke levens je je verwant voelt en nagaat welke plek die dan in die doorgaande verhalen inneemt. Een hulp bij je eigen positiebepaling zogezegd. Maar die niet verengen tot één incarnatiereeks; dat leek me te beperkt, het leven zit veel ingewikkelder, en rijker, in elkaar.

Ik ga het nu niet hebben over welke discussies ontstonden naar aanleiding van dit boek; die waren merendeels van een andere aard, waarbij de vraag is hoe vruchtbaar dat was. Enkele reageerders hier hebben dat ook al in hun commentaren aangestipt. Waar ik nu naartoe wil, is het maken van een vergelijking tussen de stand van twintig jaar geleden, zoals ik die net aanduidde, en de huidige stand. Welke ontwikkelingen hebben intussen plaatsgevonden, waarin zijn we sindsdien verder gekomen, waarin nauwelijks en waarin niet? Ik bedoel dan in de eerste plaats ontwikkelingen in de ‘antroposofische beweging’, inclusief de aanhalingstekens die ik eerder aanbracht. Maar daarbij hoeft het niet beperkt te blijven. Een ‘maatschappelijk isolement’ kent immers twee grootheden: het isolement, en de maatschappij. En beide kunnen evolueren.

Over de redding van de ziel - Nederlands 2Kortom: wat is er intussen gebeurd dat een hulp kan zijn om te begrijpen waar we nú staan? Of anders geformuleerd: hoe heeft Bernard Lievegoed in die twintig jaar voortgeleefd? Niet alleen bij ons, die hem min of meer kennen, maar ook in het maatschappelijke veld, bij mensen die hem mogelijk niet kennen of gekend hebben?

Omdat deze brief al langer is geworden dan mijn vorige en die van jou, wil ik het nu hierbij laten en het stokje aan jou overdragen, om te horen hoe jij een en ander ziet. En daarbij te hopen op een verwerkelijkt, of nog te verwerkelijken, doe-karakter, en het niet alleen te laten bij een denkactiviteit. Hoewel… volgens mij is echt nieuw en creatief gedachten denken wel degelijk een daad die vernieuwingen in de wereld mogelijk maakt en zelfs tot stand kan brengen.

Met een hartelijke groet uit een nog steeds bovenmatig koud Rotterdam (vanmiddag, een paar dagen na het begin van de lente, enkele graden boven nul, terwijl de gevoelstemperatuur zeker vijf tot tien graden lager is, vriesweer dus; over de nachten begin ik dan maar niet eens),

Michel

PS. Wie nu in dit boek geïnteresseerd is geraakt en het graag wil gaan lezen en geen exemplaar kan bemachtigen (het is niet meer verkrijgbaar, alleen tweedehands) of niet gewoon zelf snel bij de hand heeft, kan het hier op internet vinden. Vraag me niet of dit legaal is of niet, want dat is mij niet bekend.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.