Waarom eigenlijk?

Beste Michel,

Waarom willen wij ons met Bernard Lievegoed bezighouden? Ons laatste gesprek in mijn woonplaats Keulen maakte weer eens duidelijk dat deze vraag niet zo gemakkelijk te beantwoorden is. We hebben daarom besloten dat we op deze weblog in de vorm van een briefwisseling tussen jou en mij proberen er een antwoord op te vinden. En ja, we hebben de wens uitgesproken dat ook anderen zich hier in de discussie mengen.

OognaaldWaarom wil ik mij met Lievegoed bezighouden? Voor mij persoonlijk staat mijn huidige relatie tot Bernard Lievegoed en diens werk in het licht van unfinished business. Ik bedoel daar niets negatiefs mee, ook niet speciaal iets positiefs, ik wil ermee zeggen dat ik mij met een raadsel geconfronteerd weet, dat ik graag opgehelderd zou hebben. Zoals jou bekend is, heb ik pas in de laatste jaren van diens leven intensiever met Lievegoed te maken gekregen. Het begon met het schrijven van het boekje Het oog van de naald, dat is gebaseerd op een gesprek van drie dagen met Lievegoed over diens leven en diens zienswijzen. Dit boekje is op mijn initiatief ontstaan. Dan volgde een paar jaren later het verzoek van Lievegoed hem te helpen met het schrijven van Over de redding van de ziel, dat hij mij op zijn ziekbed dicteerde. Hij stierf voordat het in 1993 verscheen.

Lievegoed bewoog de vraag waarom de antroposofie zich in een maatschappelijk isolement bevond. In Over de redding van de ziel poogde hij duidelijk te maken dat dit maatschappelijke isolement een spirituele oorzaak heeft. Hij meende dat de antroposofische beweging in engere zin, zoals zij zich in de samenleving manifesteerde, zich onvoldoende bewust was van de relatie tot twee andere “geestesstromingen”, die van de impuls van Christian Rosenkreutz en die van het Manicheïsme. Wat die beide stromingen betekenen, wordt in genoemd boekje uitvoerig beschreven.

Ik moet bekennen dat het jaren heeft geduurd voordat ik begreep wat hij eigenlijk wilde zeggen. Toen het boekje verscheen kwamen uit heel Europa vragen op mij af, ik schat dat ik in de loop der jaren tenminste honderd keer een voordracht of een seminaar heb gehouden. En steeds ging het daarbij om dezelfde vraag: Hoe het werk van Rudolf Steiner te begrijpen in relatie tot beide genoemde geestesstromingen? Al heel snel werd mij duidelijk dat de maatschappelijk gevestigde antroposofische instellingen door de bank genomen maar weinig belangstelling hadden voor de kijk van Lievegoed, ik bespeurde eerder een soort van verlegenheid, alsof de verantwoordelijken in de instellingen ermee in hun maag zaten. Grote belangstelling ervoer ik daarentegen bij mensen die met de antroposofie bezig waren, maar in hun leven geen aansluiting tot de antroposofische beweging hadden kunnen vinden. Op een bijeenkomst in Bad Gandersheim in Duitsland zei een vriend treffend: “Hier vergadert het verborgen deel van de Antroposofische Vereniging”.

Aan Over de redding van de ziel kleven een paar mankementen, ik heb daarover in mijn boek Om gegronde redenen indertijd geschreven. Het kunnen echter niet die mankementen zijn, die de receptie van het boek hebben bepaald. Ik geloof dat de waarheid ligt in het feit dat Lievegoed met zijn laatste boek iets onder woorden brengt, dat inderdaad een diepe verlegenheid wekt, die te maken heeft met de schaduwzijden van de antroposofische beweging. Opmerkelijk is dat uitgerekend de mensen die geen aansluiting tot die beweging hebben kunnen vinden en een scherp oog hebben voor de schaduwzijden ervan, zich door Lievegoed aangesproken voelen. Tot de dag van vandaag ontmoet ik steeds weer mensen die bekennen, zich door diens beschrijvingen “opgetild” of “gezien” of “gesterkt” te voelen.

Ik zou graag de daverende stilte rond Over de redding van de ziel willen doorbreken, weet echter niet goed hoe dit te doen. Hiermee hangt nog het volgende samen. Door de inhoud van Over de redding van de ziel ben ik gaandeweg met andere ogen naar leven en werk van Bernard Lievegoed gaan kijken. Ik meen in zijn thema’s en in zijn aanpak een “manicheïstische” ductus gevonden te hebben, die reeds in zijn proefschrift aarzelend zichtbaar is en in zijn arbeidsleven steeds sterker kenbaar wordt, echter nooit expliciet wordt benoemd. Als ik over de “impuls” van Bernard Lievegoed nadenk, kom ik tot de volgende formulering: Bernard Lievegoed wilde de wekroep van Mani met de middelen van de antroposofie in het centrum van zijn handelen plaatsen. Als hij sprak over “een cultuur van het hart”, had hij dit in gedachten. Of hij een manicheeër was, weet ik niet, wel weet ik dat hij zich als antroposoof op de impuls van het manicheïsme oriënteerde. In een monografie over Lievegoed zou ik dit gegeven als uitgangspunt willen nemen.

Met hartelijke groeten uit Keulen,

Jelle van der Meulen

4 Responses to Waarom eigenlijk?

  1. Ik zou een paar dingen doen.
    1.E de la Houssaye zal zeker meer over de impuls weten van B.Lievegoed omdat haar overleden man een kenner was van de sterrenwereld.
    2. Ik zou interviews houden met mensen die met hem hebben samengewerkt in de Vereniging, het NPI, de VH en De Zonnehuizen. Dit publiceren, wel bondig houden. Dat kan nu nog.
    3. Dan kan het voorkomen dat mensen dingen willen zeggen die misschien pijnlijk zijn. Daarover eerst nadenken of je zoiets wilt of juist niet. Is dat belangrijk voor het onderzoek of juist niet?
    4. Na publicatie kijken of het zin heeft om door te gaan. Ofwel komt er iets opgang

  2. I.M.Hoek says:

    Beste Jelle,
    Je schrijft intrigerend over een eerste uitgebreide reactie indertijd op ‘Over de redding van de ziel’, die vooral positief was bij de ‘meer verborgen stromingen in de Algemene Antroposofische Vereniging (AAG)’, die zich niet alleen dit boekje, maar in Lievegoeds impulsen überhaupt herkenden, en een groot stilzwijgen daarover inmiddels. Je roept in feite op het in onze tijd nogmaals te lezen en dat zal ik zeker doen. Alvast toch echter een reactie vanuit mijn huidige terugkijkmogelijkheden op ‘mijn eigen tijd met hem’, zoals al meerderen vóór mij dat deden op de bijdragen van jou en Michel. Dit doe ik dan naast mijn reactie op Hans Wessels ‘12 punten’, die ik hierna nog zal plaatsen op Hans’ verzoek, als een voor deze site bewerkte versie van mijn eerdere reactie daarop op de (interne) site van de Sociale Sectie.

    Ik herinner mij nog goed, hoe ook ik indertijd zelf nogal kritisch was over enige filosofische onvolkomenheden van de inhoud van Lievegoeds laatste boekje. Inmiddels kan ik echter gelukkig veel beter op die tijd terugkijken en Lievegoeds uitgesproken, als zodanig herkenbare ‘laatste gewetensdaden’ ook veel beter in het licht zien van de ontwikkelingen van de antroposofische beweging van die tijd. Zij zou immers, naar Steiners voorspelling, aan het einde van de eeuw haar culminatie beleven, maar in de jaren negentig kon jaar voor jaar beter zichtbaar worden, dat deze culminatie tot een, alleen voor de voldoende ingewijden ervaarbaar wordend hoogtepunt in het werken van Steiner/Michael in de etherwereld beperkt moest blijven.

    Lievegoed vertelde mij (min of meer zo samen te vatten) 2x de hoop gehad te hebben, dat deze culminatie in de Europese cultuur van na WO II zichtbaar zou worden; eenmaal begin jaren ’60 en eenmaal begin jaren ’80, maar beide keren verdwenen deze impulsen voor zijn teleurgestelde ogen nog in min of meer kluizenaarsexistenties van de betrokkenen. Door de herhalingsimpuls van de jaren ’80 kon die van de jaren ’60 slechts enigermate verzacht worden. Ik was overigens heel positief verrast, toen ik in Salman Rushdies mooie korte vertelling over ‘De haar van de profeet’, van zijn visie uit, ook een beschrijving van die twee impulsen terugvond. Ook in de islam was dit dus opgemerkt. Dit versterkte mij in het idee, dat Lievegoed zichzelf tot de Alexanderimpuls rekende, die, zoals je weet met de islam (en Spanje) verbonden is, en die hij in zijn tijd door Ita Wegman onder meer ontmoet heeft.

    Hoewel het dus de bedoeling geweest is, dat de stroming van het esoterische, oftewel Johanneïsch-filosofische Christendom in Europa, waartoe de Rozenkruisersbeweging en het Manicheïsme toch ook beide te rekenen zijn, definitief met die van het openbare, kerkelijke, of platonisch-filosofische Christendom, verenigd zou worden, d.m.v. de, beide in zich verenigende, Alexanderstroming, kon dit nog niet lukken, omdat… en hier begint dan ons eigen cultuur-historisch onderzoek. Naar mijn mening … omdat de man-/vrouw gelijkheid, die hiervoor nodig was in de publieke en private maatschappelijke ruimte, toch niet zo snel te realiseren was, als Steiner zo graag gewild had. Michael koos voor zijn werk voor de verdere emancipatie van de vrouwen en daarmee ook voor de weerbaarheid van de cultuur van het Oosten tegenover die van het Westen, en zo bleef de impuls van het esoterische, innerlijk in de levenswereld werkzame en daar dus ook ervaarbare Christendom nog in de private ruimte, waarin zij al die eeuwen in Europa nog heeft moeten blijven.

    Lievegoed was zelf sterk betrokken bij beide ‘mislukkingen’, waarvan hij de oorzaken niet kon begrijpen en, zoals gezegd, heeft hem dat grote zorgen gebaard. Logisch dus, dat hij aan het einde van zijn leven nog eens aandacht voor die beide, helaas steeds nog maar verder nog verborgen gebleven stromingen vroeg. Inmiddels meen ik echter dat, gezien het geheel nieuwe, noodzakelijk geworden groepsbeleid van Michael, je beter kunt spreken van een, voor zeer velen niet meer zo verborgen werkzaamheid in de zielenwereld door de Christelijke impuls.

    Steiner heeft via Graaf Polzer-Hoditz de antroposofen er nog op zijn laatste ziekbed met veel nadruk op gewezen, dat de nieuwe sociale impuls van de Antroposofische Vereniging, die noodzakelijk was geworden, toen zijn eigen Oost-West-Hogeschoolimpuls voor Europa, vooral ook door teveel levensvijandige impulsen van de, vanaf 1913 zichzelf verder besturende ‘club’, vernietigd werd, slechts begrepen en meegedragen kon worden als men, naast de voor de menselijke geestontwikkeling centrale Christusimpuls zelf (voor een drievoudige geestelijke Ik-wording vanuit de impulsen van de Triniteit), die in de ons bekende, Paulinische zin (Paulus is de apostel van de heidenen en dus ook van de wetenschappers) door Michael gedragen wordt, ook die van de ‘drie koningen’ begreep, die door de Christus uit de dood door hem opgewekt waren voor de toekomstige vernieuwing (indertijd dus) van de drie cultuurperioden van vóór de Grieks/Romeinse periode (dus de Oud-Indische, Oud-Perzische en Egyptisch-Chaldeïsche, of verborgen Joodse), die na die 4de middenperiode gespiegeld terug zouden keren. (Zie het Nieuwe Testament en Steiners nadere uitleg daarover, die mogelijk geworden was door Goethes sociale sprookje.)

    In die drie toekomstige perioden, die vanaf ongeveer 1500 begonnen zijn, zouden achtereenvolgens de drie zielenvermogens van de mens (denken, voelen en willen; zie Hugo Verbrughs goede bijdrage elders op deze site) in drie geestvermogens (imaginatief, inspiratief en intuïtief vermogen) met behulp dus van deze drie mensheidsleiders omgevormd worden. Deze drie koningen hadden in feite voor alle oorlogen in Europa gezorgd, en zouden in de naaste toekomst van jongs af aan weer door Michael opgevoed en op hun taak voorbereid worden, alsook weer in harmonie met elkaar gebracht worden. In Dornach werden zij laatstelijk nog aangeduid als Rozenkruis/Johannes, Manes en Skythianos, die dus als de representanten zijn te beschouwen van de Christus op aarde, wat betreft respectievelijk de drie zielenimpulsen denken, voelen en willen. Over het algemeen ziet men Rudolf Steiner zelf in dit verhaal nu als de grote verzoener tussen de beide bovengenoemde Christelijke stromingen van Europa, en dus ook de verzoener van de drie, elkaar bevechtende stromingen en de nieuwe opvoeder van ‘zijn drie koningen’, waarbij men kan denken aan zijn antwoord aan Anna Samweber over wie hij zelf was: “Ik ben de rode draad door de (cultuur-)geschiedenis“, (van de 5de na-atlantische cultuurperiode), en aan zijn Michaelbrief van de Christengemeenschap, waarin hij zegt, dat Michael eerst ‘het aangezicht van de vader was’, maar ‘dat door het Christusoffer van de zoon werd’, die voortaan alleen vanuit de etherwereld zichtbaar zou worden voor de mensheid, deze op aarde dus vrijlatend.

    Lievegoed bespreekt deze drie koningen echter als Rudolf Steiner, Christian Rozenkruis (Johannes) en de Manu en bespreekt ook hun tegenkrachten, waarmee zij steeds weer van doen hebben, waar Graaf Polzer-Hoditz ons ook over berichtte, als de hen kenmerkende lotgevallen van de twee Johannessen, Dimitri en Kasper Hauser. Het spreekt vanzelf, dat ‘de club’, sinds 1923 dus ook als zodanig gebonden aan een ernstige en werkzame hogeschoolcultuur, alleen in een goed overleg tussen de Klasse-leden tot een gezamenlijk, gefundeerd inzicht hierover kan komen.

    Steiner was door de theosofen gevraagd aan de verdere onthullingen over de geestelijke leiding van de mensheid in die zin mee te werken dat hij dit voor het Christendom in Europa zou doen, en Steiner kon hierbij erop wijzen dat vanaf ongeveer 1500 alle godsdiensten ook naar hun waarheidsimpulsen bekend zouden worden. In feite leren wij hun historische ontwikkeling uit elkaar in de voortgaande opvoeding en scholing van de wil van de mensheid, in de in 2 werelden levende Michaelschool, zo ook naar waarheid kennen, en natuurlijk is dit ook een vredesimpuls van het allergrootste belang voor de mensheid. Hieraan kan dus in de nieuwe eeuw alweer op een veel uitgebreidere zichtbaar wordende wijze in de zielenwereld verder gewerkt worden.

    Met beste verder studie- en schrijfwensen, Ida-Marie Hoek.

  3. Ida-Marie Hoek. says:

    Een schets van Manu/Michael van Steiner/Maryon voor Klasse III van 23 december 1922.

    In het weekblad het Goetheanum van 4 oktober 2008 werden voor het eerst de drie schetsen gepubliceerd, die Steiner tezamen met Edith Maryon een week voor de brand van het Goetheanum voltooide (23-12-1922). Zij waren die zomer door een private bezitter aan de Sectie voor Beeldende Kunsten uitgeleend voor een Michaeltentoonstelling. Vanuit deze Sectie heeft men later geprobeerd deze schetsen vrij in 1 beeldhouwwerk uit te beelden, en onlangs in drie beelden; echter weinig nauwkeurig naar het origineel.

    Deze schetsen waren bedoeld voor drie Michaelbeelden, die de, toen alleen nog impliciet in Steiners Hogeschool aanwezige 3 Michael- oefen- en mediatieklassen zouden verbeelden, die voor de drie wetenschapsgroepen van zijn Vrije Hogeschool Goetheanum, de natuur-, mens-, en geesteswetenschappen, noodzakelijk waren. Hierover gaf Steiner vanaf 1917 in zijn Hogeschoolcursussen (GA 72-84) uitleg aan studenten en andere geïnteresseerden, maar sprak hij in die laatste week in het gebouw, ook voor de leden (GA 219).

    Het is niet moeilijk in deze drie schetsen Michaels onderwijzing in de moderne tijd, ten tijde van het Christendom en in de Oud-Indiase tijd te herkennen. Men moet alle drie schetsen achter elkaar in één lijn zien, als in een perspectief in de tijd, waarbij de omkering (wending) in het bewustzijn door het Christendom, als een voor het eerst daardoor mogelijk geworden, toekomstgericht bewustzijn, dat zich op het karma kan voorbereiden d.m.v. scholing en oefening, van groot belang is. (Men kan desgewenst bij mij per email nog een opstel hierover aanvragen). Op grond hiervan kunnen wij dus concluderen, dat Lievegoed in zijn laatste boekje, hierboven genoemd, zowel bij zijn representant voor het Christusdenken, als het Christuswillen geen representanten aangeeft, maar ‘de originele leraren’ in hun tijd zelf, en, dat hij Johannes als representant niet bovenaan plaatst, waar hij behoort. Rudolf Steiner en Johannes zijn overigens beide Meesters van het Westen. De tweede of middenkoning, of de representant voor het Christus-voelen op aarde, is Manes/Parsifal, ook wel de Meester van het Oosten genoemd. IMH.

    IN.B.: Ik kon helaas de schetsen zelf niet hierbij mee kopiëren, maar stuurde die naar prof. H. Wessels. Misschien kan hij dat wel.

    [Zie voor de schetsen hier: https://lievegoed.files.wordpress.com/2013/03/de-2-michaelschetsen-tot-60-verkleind-imh-10-03-2013.pdf ]

  4. Marco says:

    Als jonge student in de psychologie en enthousiaste leerling van Rudolf Steiner had ik in 1982 een briefwisseling met Lievegoed, die ik toen zag als een sort mentor/beschermer in het contact tussen de anthroposofen en en “gewone wetenschap” —–
    … nu zoveel jaar later ……….
    Lievegoed was altijd dat: degene die zocht naar het gesprek met de niet-anthroposofen –; maar dan: zijn boeken en ideen konden mij nooit inspireren omdat zijn gedachten altijd de vorm van schema’s kregen opgedrongen; zijn levende spirituele ervaringen/gedachten vonden ahwh de dood in schema’s die vervolgens als een schaduw bleven hangen in het ondermaanse. (etherwereld) –
    zijn laatste boek kon mij al helemaal niet boeien-
    de manier waarop hij de drie stromen beschreef ervoer ik bijna als een aantijging tegen de besproken individualiteiten —
    bedenk bijvoorbeeld eens dit: als Steiner’s leraar Schroer zijn blijkbaar spirituele opgave had vervuld, hoe zou de anthroposofie er dan hebben uitgezien? Heel anders als nu, namelijk veel levendiger, groeizamer, beeldender (de vormen van het eerste Goetheanum —-) – Steiner moest het doen, en moest gebruik maken van een taal die een groot gevaar in zich borg: de taal van HP Blavatsky )theosofie) —- Schroer zou toch die aansluiting niet nodig hebben gehad; NU hangen ook deze bijna dode theosofische begrippen als een schaduw in de etherwereld, als ze niet voortdurend doorlicht worden door michaelisch denken — en dat betekent bij Steiner bijvoorbeeld dat hij “hetzelfde” van vele verschillende manieren behandelt —– ons logisch denken kan nimmer geestelijke begrippen vasthouden – vandaar dat het zo gevarlijk is om te zeggen: “er zijn drie stromen”; “er zijn twaalf visies”, “Steiner was eigenlijk ….” etc etc etc.
    Breng je denken tot leven ; zoek je geestelijke wezen – het is grijpbaar tegenwoordig!—– overstijg schema’s —- en ja, helaas, dan moet de “gewone” wetenschap een beetje geduld hebben. Anders worden de geestelijke gedachtewezens gevangen gehouden in dode(nde) plekken, waar Ahriman ze kan benutten om mensen op dwaalsporen (dwz wegen die van de geest af voeren) te brengen.
    Ik schrijf dit alles met het diepste respect voor de mens Lievegoed, wiens “erfenis” meer dan wat dan ook in zijn daden ligt – terwijl de dode gedachten langzaam ontbonden moeten worden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: