Gevoelstemperatuur

Beste Jelle,

Over de redding van de ziel - Nederlands 3Je bevestigt dus dat we allemaal deel van het probleem zijn. Dat probleem hebben we geformuleerd als: de antroposofische beweging bevindt zich in een maatschappelijk isolement. Hieraan hebben we de vraag gekoppeld: waarom is dat zo? Dit probleem hield Bernard Lievegoed bezig, waarop hij tot aan het eind van zijn leven een oplossing zocht. En die toen ook min of meer vond, zoals uiteengezet in zijn (en tegelijk ook jouw, jij hebt dit boek tenslotte uit zijn mond opgetekend) Over de redding van de ziel.

Wat we volgens jou in je vorige brief niet moeten doen, is Steiner als grondlegger van de antroposofie nemen als de eeuwig de waarheid sprekende allesweter, perfect en zonder fouten. En in het spoor van Lievegoed niet de waarheid boven de wil tot het goede plaatsen. Kort gezegd: denken is niet hetzelfde als doen. Gelukkig voeg je er wel aan toe: ‘Het blijft echter waar dat handelingen alleen dan op langere termijn vruchtbaar zijn, wanneer zij gepaard gaan met een streven naar geestelijk begrip.’

Dat zijn allemaal grote woorden, fikse beweringen, reuzenstappen met zevenmijlslaarzen. Ze roepen bij mij meteen allerlei vragen op. Mijn zorg erbij is hoe we uit een theoretisch vaarwater kunnen blijven. Want dat begrijp ik wel uit je brief: tot in het oneindige kunnen we intelligent strijden over dit en over dat. Maar de hamvraag is en blijft, zeker in de optiek van Lievegoed: zet het ook zoden aan de dijk? Het mooie van Lievegoed is dat hij zijn idealen een concrete vorm wist te geven, een succesvolle vorm ook, die aansloeg en relevant bleek voor het maatschappelijke leven. Niks maatschappelijk isolement zogezegd. Een schoolvoorbeeld voor de antroposofische beweging?

Maar ik wil eerst een misverstand uit de weg ruimen. In het begin van je vorige brief schrijf je: ‘Belangrijk is uiteraard je bezig te houden met wat Steiner allemaal heeft gezegd, maar heeft hij, zoals jij jezelf kennelijk voorhoudt, inderdaad alles gezegd?’ Ahum, maar dat is niet wat ik mezelf voorhoudt. Ik stelde wat anders op het eind van mijn laatste brief, namelijk deze vragen: ‘Want in de antroposofie en in wat Steiner aan zaken aan het licht heeft gebracht, zit toch eigenlijk alles al? Daar heb je toch niet nog iets naast nodig? Wat ontbreekt er dan eigenlijk?’

Dat was meer bedoeld in de zin van: in een klein kiemend plantje zit alles toch eigenlijk al. De hele plant met zijn lange stengel, bladeren, bloemen, vruchten. Die moeten alleen nog allemaal tevoorschijn komen. Dat gebeurt als de voorwaarden ervoor aanwezig zijn: vruchtbare grond, voldoende water en een goede afwisseling tussen dagelijks zonlicht en nachtelijk duister. Dan is het gek als je zegt dat er een bepaalde struik of boom ontbreekt, omdat je die niet ontwaart bij dat kiemende plantje.

Overigens had Ridzerd van Dijk uit Friesland nog geen twee weken geleden op zijn onvolprezen ‘De grote Rudolf Steiner Citatensite’ een pracht bijdrage aan onze discussie, waarschijnlijk zonder zich hiervan bewust te zijn. Onder de titel ‘De waarheid heeft verschillende vormen’ citeerde hij Steiner als volgt:

‘Er is geen absolute waarheid; elke waarheid heeft haar missie in een bepaalde tijd. En als we nu van antroposofie spreken, dan weten we dat, als we worden wedergeboren, we iets anders horen en in geheel andere wijze tot elkaar zullen staan. Kijken we terug in tijden dat wij wellicht al eens samen zijn geweest in een of ander gebied in het noorden van Europa, waar mensen zich rond de Druïdepriester verzamelden, die hen de waarheid in de vorm van mythen en sagen vertelde. Zouden we daarbij niet toegehoord hebben en zouden onze zielen niet daardoor gevormd zijn, dan zouden we niet begrijpen wat de antroposofie ons tegenwoordig in een andere vorm weer als waarheid brengt. En als we weer komen zullen, zal in andere vorm gesproken worden, in een hogere vorm. De waarheid ontwikkelt zich zoals alles in de wereld. Zij is de vorm van de goddelijke geest, maar de goddelijke geest heeft vele vormen. Doordringen we ons met dit karakter van de waarheid, dan zullen we een heel andere verhouding tot haar winnen. We zullen onszelf zeggen: Weliswaar leven we in de waarheid, maar zij kan verschillende vormen hebben.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart 1 september 1906 (bladzijde 109)’

222.2.18.3.1923-ind_1Ik bedoel maar. Steiner heeft het gezegd! – Terug naar mijn vragen. Ik kan naar duidelijkere omschrijvingen vragen: wat is bedoeld met ‘de antroposofische beweging’, wat is precies ‘een maatschappelijk isolement’? En hoe weet je op een gegeven moment dat je ‘de wil tot het goede’ doet? Daarnaast komt er bij mij een andere behoefte op door deze zin van jou: ‘Met de open vraag naar de aard en de werking van het kwaad is de Europese cultuur in de postmoderne tijd aangekomen, lees bijvoorbeeld Hannah Arendt, Walter Benjamin, Michel Foucault…’ Ik moet bekennen dat ik geen van deze drie schrijvers zelf gelezen heb, geen enkel werk van hen (Walter Benjamin is in feite zelfs een nieuwe naam voor mij). Dus als je daar iets meer over zou willen vertellen, graag!

Hiermee komt meteen een probleem naar voren, laten we zeggen een typisch antroposofisch probleem: dat ik niet op de hoogte ben van deze drie prominenten, maar wel thuis in Steiner. In die vijfendertig jaar dat ik me nu met Steiner bezighoud, heb ik vooral op hem gestudeerd om hem beter te gaan begrijpen. En op de geschiedenis van de antroposofie in de twintigste eeuw. Maar daarmee heb ik een heel aantal dingen van later tijd, van mensen die meer mijn eigen tijdgenoten zijn, gemist. Dat is niet erg best. Ik troost me met de gedachte dat ik, naast algemene geschiedenis, zeker wel geïnteresseerd ben in hedendaagse culturele, politieke, maatschappelijke ontwikkelingen en het nieuws en de achtergronden daarvan graag volg. Maar is dat genoeg?

Hoe dan ook, dat is mijn vertrekpunt. Net als dat ik vooral gericht ben op het begrijpen van de zaken. Pas als ik iets enigszins begrepen heb, er een gevoel voor heb gekregen, kan ik ook bewust en adequaat handelen. Zo voelt het tenminste voor mij. Daarom vond ik Over de redding van de ziel ook zo’n mooi en goed boek. Dat gaf mij inzicht in een aantal zaken. En wat bijna nog belangrijker was: het deed dat in alle openheid. Het beschreef de historische wordingsgang van drie verschillende sterke persoonlijkheden die zeer krachtdadig initiatieven hadden ontplooid. Het meest bijzondere daaraan was dat de beschouwing hiervan niet beperkt bleef tot één leven. Nee, consequent werd die initiatiefkracht gezocht en vervolgd door een opeenvolgende reeks van levens op aarde, die met naam en toenaam genoemd werden.

Über die Rettung der Seele 2We schrijven precies twintig jaar geleden, toen kwam dit boek uit. Dat was een mijlpaal, want niet eerder was dit zo openlijk gedaan, het noemen van die reeks van levens, van die biografieën. Er werd werkelijk iets opengedaan, wat voordien gesloten was. Ik weet zeker dat dit te maken had met een andere publicatie, die kort tevoren verschenen was. Op basis daarvan was dit mogelijk geworden. Ik doel op de drie delen die Emanuel Zeylmans schreef over Ita Wegman. Het eerste deel, het belangrijkste wat dit aangaat, verscheen najaar 1990, de twee andere delen twee jaar later. Daardoor kon Lievegoed met recht schrijven over een van de drie krachtpatsers die hij in het vizier had, omdat die lange tijd was omgeven door onduidelijke en oncontroleerbare verhalen. Die mist was nu opgetrokken.

Maar er waren dus nog twee andere figuren. Daar wist Lievegoed echter ook wel weg mee. Dat vond ik frappant; hij had zich terdege in hen verdiept, en kon daardoor een heel aannemelijk beeld schetsen van deze andere twee protagonisten. Hij ontwarde hierdoor een vlechtwerk van onduidelijkheden, waar weinig mensen tot dan toe helderheid in hadden kunnen verschaffen. Deze ontvlechting was werkelijk als een ontknoping, in ieder geval voor mij, en daarmee een van de aantrekkelijkste kanten van dit boek. Alles rustig en kraakhelder op een rij, heerlijk!

Dit was echter nog maar de ene helft van het boek, de andere helft ging vooral over welke betekenis dit alles had (of zou kunnen hebben) voor antroposofen. Of hetzelfde ook de betekenis voor de antroposofie (in tegenstelling tot die voor antroposofen) gold, waag ik te betwijfelen. Mij was in ieder geval wel duidelijk dat je een affiniteit zou kunnen hebben met een van de drie gevolgde personen (‘individualiteiten’ zou ik nu in antroposofisch jargon moeten schrijven), of ook alleen maar met een of enkele van de vele levens die in die reeksen ter sprake kwamen. Dat leek mij ook het meest aannemelijk, en het meest vruchtbaar, dat je kijkt met welke levens je je verwant voelt en nagaat welke plek die dan in die doorgaande verhalen inneemt. Een hulp bij je eigen positiebepaling zogezegd. Maar die niet verengen tot één incarnatiereeks; dat leek me te beperkt, het leven zit veel ingewikkelder, en rijker, in elkaar.

Ik ga het nu niet hebben over welke discussies ontstonden naar aanleiding van dit boek; die waren merendeels van een andere aard, waarbij de vraag is hoe vruchtbaar dat was. Enkele reageerders hier hebben dat ook al in hun commentaren aangestipt. Waar ik nu naartoe wil, is het maken van een vergelijking tussen de stand van twintig jaar geleden, zoals ik die net aanduidde, en de huidige stand. Welke ontwikkelingen hebben intussen plaatsgevonden, waarin zijn we sindsdien verder gekomen, waarin nauwelijks en waarin niet? Ik bedoel dan in de eerste plaats ontwikkelingen in de ‘antroposofische beweging’, inclusief de aanhalingstekens die ik eerder aanbracht. Maar daarbij hoeft het niet beperkt te blijven. Een ‘maatschappelijk isolement’ kent immers twee grootheden: het isolement, en de maatschappij. En beide kunnen evolueren.

Over de redding van de ziel - Nederlands 2Kortom: wat is er intussen gebeurd dat een hulp kan zijn om te begrijpen waar we nú staan? Of anders geformuleerd: hoe heeft Bernard Lievegoed in die twintig jaar voortgeleefd? Niet alleen bij ons, die hem min of meer kennen, maar ook in het maatschappelijke veld, bij mensen die hem mogelijk niet kennen of gekend hebben?

Omdat deze brief al langer is geworden dan mijn vorige en die van jou, wil ik het nu hierbij laten en het stokje aan jou overdragen, om te horen hoe jij een en ander ziet. En daarbij te hopen op een verwerkelijkt, of nog te verwerkelijken, doe-karakter, en het niet alleen te laten bij een denkactiviteit. Hoewel… volgens mij is echt nieuw en creatief gedachten denken wel degelijk een daad die vernieuwingen in de wereld mogelijk maakt en zelfs tot stand kan brengen.

Met een hartelijke groet uit een nog steeds bovenmatig koud Rotterdam (vanmiddag, een paar dagen na het begin van de lente, enkele graden boven nul, terwijl de gevoelstemperatuur zeker vijf tot tien graden lager is, vriesweer dus; over de nachten begin ik dan maar niet eens),

Michel

PS. Wie nu in dit boek geïnteresseerd is geraakt en het graag wil gaan lezen en geen exemplaar kan bemachtigen (het is niet meer verkrijgbaar, alleen tweedehands) of niet gewoon zelf snel bij de hand heeft, kan het hier op internet vinden. Vraag me niet of dit legaal is of niet, want dat is mij niet bekend.

De wil tot het goede

Beste Michel,

Kind met duif

Picasso: Kind met duif

Onderdeel van het probleem zijn we allemaal, het is dus tijd naar “ons” te kijken, in plaats van steeds maar weer van gedachten te wisselen over onze interpretaties van het werk van Rudolf Steiner. Ik persoonlijk heb al lang geleden afscheid genomen van de perfecte Steiner, de allesweter, die steeds de waarheid sprak. Je moet wel blind zijn om de tegenspraken, de nooit afgemaakte aanzetten en de onjuistheden in de lezingen en boeken van Rudolf Steiner NIET te zien, en bovendien wanhopig, als je het perfecte beeld tegen alle evidenties in krampachtig overeind wilt houden.

Belangrijk is uiteraard je bezig te houden met wat Steiner allemaal heeft gezegd, maar heeft hij, zoals jij jezelf kennelijk voorhoudt, inderdaad alles gezegd? Dat heeft hij naar mijn idee niet, ik bedoel: over bepaalde thema’s heeft hij nadrukkelijk gezwegen. Over het “mysterie van het kwaad” zegt hij bijvoorbeeld dat daarover (in zijn tijd) nog niet kan worden gesproken. Nu is het kwaad niet zomaar een onderwerp, het raakt de nerf van al het denken over het leven, over waarheid en leugen, over gerechtigheid, over menselijke betrekkingen. En ja, heeft de twintigste eeuw na de dood van Steiner in 1925 niet getoond dat de vraag naar de betekenis van het kwaad inderdaad elke toen nog bestaande levensbeschouwing uit de voegen heeft gehaald? Om het eenvoudig te zeggen: de holocaust werpt een schril en onthutsend licht op al het voorafgaande, ook op de antroposofie. Met de open vraag naar de aard en de werking van het kwaad is de Europese cultuur in de postmoderne tijd aangekomen, lees bijvoorbeeld Hannah Arendt, Walter Benjamin, Michel Foucault…

Veel antroposofen hebben er moeite mee het werk van Rudolf Steiner te zien als een discursieve bijdrage, geworteld in de westerse esoterie, aan het denken, voelen en willen in “apocalyptische” (in de zin van Steiner) tijden. Vergeef me dat ik in deze brief het woord “apocalyptisch” vrij in de ruimte laat zweven, het is echter niet negatief en zeker niet hysterisch bedoeld – een van de geweldige bijdragen van Steiner is nu juist dat hij dit oude begrip, zoals zo veel andere begrippen ook, een moderne toepassing heeft gegeven. Mijn bewondering voor hem ligt in het feit dat hij zich als esoterische denker, kunstenaar en initiator consequent in de verwarringen van zijn tijd heeft gestort, met alle tegenspraken, fouten en mislukkingen van dien. Hij heeft het begrip van de esoterie dynamisch gemaakt, dat wil zeggen: in een ontwikkeling geplaatst. Wat hem in dit opzicht verweten kan worden, is dat hij in de laatste jaren van zijn leven met betrekking tot de wendingen in zijn benadering vaak niet erg duidelijk was. Zo had hij wat mij betreft kunnen zeggen dat bijvoorbeeld zijn boek Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten slechts een algemene en niet voor iedereen geldige instap in het esoterische ervaren beschrijft; in de teksten van de zogeheten “klassenuren” bijvoorbeeld, die uit de laatste jaren van zijn leven stammen, heerst een andere geest, die veel directer, individueler en dynamischer werkt.

Nu naar Bernard Lievegoed… In Over de redding van de ziel poogt hij de vraag te beantwoorden waarom de antroposofie in een maatschappelijk isolement is geraakt. Deze vraag wordt vrijwel altijd beantwoord met de bewering dat de mainstream in onze cultuur alles wantrouwt wat met esoterie te maken heeft. Lievegoed vond dit antwoord te gemakkelijk, te weinig zelfkritisch. Hij zag de oorzaak eerder daarin liggen, dat in de antroposofische beweging de vraag naar de waarheid-der-dingen eenzijdig op de voorgrond was komen te staan. Tegenover de wil tot de waarheid stelde hij – ik zeg het in mijn woorden – de wil tot het goede. En deze wil tot het goede leeft vooral in wat hij in zijn laatste boek in navolging van Rudolf Steiner als de missie van Mani beschrijft.

Nu ligt de menskundige moeilijkheid in het feit dat vanuit het perspectief van het streven naar waarheid er geen verschil is tussen de waarheid en het goede (en laten we het schone niet vergeten!) – de waarheid claimt alle perspectieven te omvatten, wat veel antroposofen er dan ook vaak toe brengt te zeggen dat de antroposofie alles omvat. Voor een beschouwelijk mens kan het er inderdaad zo uitzien dat niets ontbreekt. Maar je kunt in het veld van de waarheid eindeloos rondakkeren zonder gewaar te worden dat er in de wereld specifieke intenties bestaan die hulp nodig hebben. Anders gezegd: het ware en het schone en het goede denken, is iets anders dan het ware en het schone en het goede doen. Het blijft echter waar dat handelingen alleen dan op langere termijn vruchtbaar zijn, wanneer zij gepaard gaan met een streven naar geestelijk begrip.

ManicheansManicheïstische zielen voelen zich niet alleen thuis in de heilpedagogische beweging (inderdaad een soort van oefenveld van het manicheïsme binnen de antroposofische beweging), maar ook in sociale en ecologische bewegingen. De wil tot het goede leidt tot handelingen inzake mensenrechten, armoede, milieubeheer, misbruik in alle mogelijke vormen, en nog in Lievegoeds tijd met betrekking tot bijvoorbeeld de schaduwzijden van de industrialisering direct na de Tweede Wereldoorlog. De antroposofische beweging stond en staat ten opzichte van zulke bewegingen aan de zijlijn, werpt hoogstens zo nu en dan een diepzinnige blik op dit of dat, doet echter niet mee, riskeert de verwarringen van het leven niet. Zij wil graag soeverein de waarheid vertellen, doet dit echter zonder een werkelijke relatie aan te gaan. Zij isoleert zichzelf door de wil tot de waarheid te monopoliseren, tot het “hoogste” te verklaren. En haar isolement wordt nog eens extra dramatisch als antroposofen onderling strijd leveren over “waarheden”, los van wat in de wereld gaande is.

Volgens Rudolf Steiner lag het doel van de Vrije Scholen in het voorbereiden van het werk van Mani. Wat stellen wij ons daarbij voor? Of misschien beter gevraagd: stellen wij ons daarbij überhaupt iets voor? Hoe ziet de werkzaamheid van Mani eruit? Hoe zijn diens verschijnen en werken te herkennen? Deze vragen leven in de Vrije Schoolbeweging nauwelijks, in mijn ogen zijn het echter precies de vragen die leiden tot een antwoord op de vraag die hier en daar WEL wordt gesteld, namelijk: welke rol zou de Vrije Schoolpedagogie in de samenleving kunnen en moeten spelen? Of in Lievegoeds woorden: hoe kan de Vrije Schoolbeweging met betrekking tot het maatschappelijke en pedagogische denken uit haar isolement gehaald worden?

Khocho-Temple_8-9thCLievegoed wilde met zijn Over de redding van de ziel de weg voor een hernieuwde kijk op de geestelijke en maatschappelijke betekenis van de antroposofie banen. Hij deed dit door te wijzen op het verbond dat Steiner, Christian Rosenkreutz en Mani sloten. De beide eersten staan in de traditie van de Europese esoterie, de laatste heeft een mondiale betekenis. En daarmee verdiept zich de vraag van de antroposofie nog eens in een specifieke richting: hoe als Europese verschijning een rol in de globalisering (wat een michaëlische ontwikkeling is) te spelen? Genoemd verbond is echter niet een soort van deal, ooit voor eens en voor altijd tussen drie grote gestalten gesloten, waar we slapend of dromend op verder kunnen bouwen; het is een “gebeurtenis” die zich in de praktijk van het leven, in de samenwerking in instellingen en in de persoonlijke ontwikkeling van de enkelingen voortdurend herhaald, in het hier en nu voltrokken moet worden. Als Lievegoed sprak van een “cultuur van het hart” doelde hij op samenwerkingsvormen tussen individuen die er bewust voor gekozen hebben, waar zij zich ook bevinden, met elkaar het avontuur (adventura: wat op ons toekomt) van de vrijheid, de gelijkheid en de zusterlijkheid aan te gaan. Hij wilde eraan bijdragen dat – in een tijd waarin vooral de abstracties in de werkrelaties dreigen te overheersen – deze michaëlische geest om te beginnen in antroposofische instellingen gewekt wordt. Het gaat er dus inderdaad om naar “ons” te kijken.

Met een hartelijke groet uit Keulen!

Jelle van der Meulen