Tenzij gij mij zegent

Beste Jelle,

Recentelijk las ik ‘Tenzij gij mij zegent. Geschiedenis van de Lievegoed Zorggroep – met vensters op vandaag en morgen’ van Huib van den Doel. Het is uitgekomen ten tijde van de naamsverandering van de Lievegoed Zorggroep tot eenvoudigweg ‘Lievegoed’, wat najaar 2012 feestelijk werd gevierd:

‘Op 22 november organiseerde Lievegoed in Amsterdam het debat Antroposofie, met het oog op een gezonde samenleving.’ (Bron: ‘Barometer’)

Op de website van ‘Lievegoed ®, Antroposofische zorg’ is dit gegeven netjes weggewerkt, want daar is het nergens meer te vinden. Er is echter elders nog een verslag van in te zien, geschreven door Petra Essink en verschenen in ‘Stroom’, het blad van de patiëntenvereniging Antroposana, getiteld ‘Lievegoed zet de deuren wijd open’. Over het boek van Van den Doel wordt daar gemeld:

‘Een omvangrijk en rijk geïllustreerd boek dat een grondig historisch overzicht geeft van de totstandkoming van Lievegoed. Vele mensen, hun verhalen, hun idealen en ook hun teleurstellingen komen, naast vele achtergronden en inhouden, aan bod. Een aanrader voor de betrokkenen en een niet te onderschatten bron van informatie voor mensen die dieper in willen gaan op de achtergronden van de antroposofische gezondheidszorg. Het boek is gratis verkrijgbaar bij Lievegoed door een mail te sturen naar communicatie@lievegoed.nl. Ook te ontvangen als pdf bestand.’

Je zult het vast wel met me eens zijn dat dit boek door het onderwerp onze bijzondere aandacht verdient, alleen al in het licht van de laatste en tot de kern doordringende naamswijziging van ‘Lievegoed’. In zekere zin neemt de geschiedenis van deze onderneming een aanvang op 1 februari 1990, wanneer een psychiatrische kliniek start op het terrein van in Berg en Bosch in Bilthoven, nog zonder expliciete naam. Op 1 december 1991 wordt de kliniek officieel geopend, onder meer met een voordracht door Bernard Lievegoed. Op 2 september 1992 wordt Bernard Lievegoed 87 jaar; op deze laatste verjaardag van hem is hij aanwezig wanneer de kliniek wordt gedoopt tot ‘Bernard Lievegoed Kliniek’, waarbij hij wederom een voordracht houdt. Ruim drie maanden later overlijdt hij.

Lievegoed - Antroposofische zorgWat het lot is van deze Bernard Lievegoed Kliniek wordt nauwgezet beschreven in het genoemde boek. De kliniek kent enerverende lotgevallen, waarvan ik hier enkel de twee grote stappen vasthoud. In 2002 vindt een fusie plaats van de Bernard Lievegoed Kliniek met Arta (verslavingszorg), wat leidt tot de Arta-Lievegoedgroep. In 2005 is er vervolgens een fusie van deze nieuwe organisatie met de Ita Wegman Stichting, waarbij de naam van het geheel wijzigt in Lievegoed Zorggroep. Die naam is dus zeven jaar later weer verlaten en vervangen door ‘Lievegoed’. Het boek houdt echter net voor dat moment op, zodat de reden hiervan niet genoemd wordt en buiten het bestek van het boek valt. In die twintig jaar is er in ieder geval het nodige gebeurd.

Universitas

Mijn vraag zou zijn: zou de organisatie met de naam Lievegoed, of misschien nog beter: zouden de medewerkers bij Lievegoed, iets kunnen hebben aan waar wij ons nu mee bezighouden? En hoe moet dat er dan uitzien? Dan heb je meteen ook de periode van ruim twintig jaar overbrugd, waar ik het de vorige keer over had, sinds de dood van Lievegoed. Het zou mooi zijn als de Lievegoed waar wij ons op richten, kan landen bij de Lievegoed-organisatie die zijn naam draagt, zou ik denken. Niet alleen daar natuurlijk, maar het zou wel een mooi kristallisatiepunt kunnen zijn.

Er zijn meer instanties die de naam Lievegoed dragen. Daar zou je ook naar zo’n soort verbinding op zoek kunnen gaan en een onderzoek kunnen beginnen. Ik denk bijvoorbeeld aan de ‘Bernard Lievegoed Leerstoel inzake ethische aspecten van de zorg- en hulpverlening vanuit de antroposofie’, zoals die door prof. dr. Hans Reinders sinds 2005 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam wordt ingevuld. Dan is er sinds vorig jaar het ‘Lievegoed Fonds voor wetenschap’ binnen de Iona Stichting, en het daar aanpalende ‘Lievegoed Academisch Netwerk’, een nieuwe vorm van de vroegere ‘Netwerkuniversiteit’ dat onderdeel was van de ‘Stichting Prof. Dr. Bernard Lievegoed Fonds’, fonds voor antroposofisch wetenschappelijk onderzoek, dat bestond van 2006 tot 2012.

Villa BLCLAOf wat te denken van de ‘Bernard Lievegoed University’, de vroegere ‘Vrije Hogeschool’ in Driebergen, die ook een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt? Gestart in 1971, werd de naam 37 jaar later veranderd in ‘Bernard Lievegoed College for Liberal Arts’. Om vier jaar later tot ‘University’ omgedoopt te worden.

Ons doel is een of meer monografieën over of in verband met Bernard Lievegoed te schrijven. Het idee was om dit schrijfproces gepaard te laten gaan met een weblog, waarin de voortgang gedocumenteerd en door iedereen gevolgd kon worden. Waar zouden we beginnen? Lievegoed heeft in zijn leven drie initiatieven genomen die tot complete organisaties zijn uitgegroeid. Achtereenvolgens het Zonnehuis (gehandicaptenzorg), het NPI (organisatieadvieswerk) en de Vrije Hogeschool (voor studenten). Hij was bij nog meer succesvolle initiatieven betrokken, meer deze waren heel persoonlijk gemotiveerd en staan in ieder geval als een paal boven water. Ook al is het leven ervan niet oneindig gebleken, of in ieder geval geschikt voor een ‘total makeover’. Het leek zinnig om een van deze drie als aangrijpingspunt te nemen om daar vanuit aan het werk te gaan, en we kozen daarvoor zijn laatste initiatief, op het gebied van het tertiair onderwijs. Zo hebben we het ook in december nog genoemd in ‘De Vrije Hogeschool en Bernard Lievegoed’.

Onze hoop en verwachting om op deze manier doelgericht te werk te kunnen gaan, werden niet bewaarheid: er ontbreken momenteel voldoende van de daartoe nu eenmaal noodzakelijke middelen. Wat dan? Zo werd het idee geboren om een briefwisseling te beginnen, een openbare correspondentie op ons weblog, waardoor we als schrijver vrijer zouden zijn in de vorm en het onderzoekende karakter zichtbaarder en duidelijker naar voren kon komen. Dat is waar wij nu staan. We hebben in de vijf brieven tot nu toe al aardig wat thema’s en vragen de revue laten passeren. Bovendien heeft onze zeer gewaardeerde voorzitter van de Stichting Parsifal Fonds Hans Wessel verschillende waardevolle bijdragen geleverd met teksten die als aparte pagina’s zijn opgenomen.

In ‘Nieuwe impuls voor Lievegoed’ op 3 december 2012 werd de meer historische benadering die ik hierboven aanstipte al uiteengezet. In ‘De Vrije Hogeschool en Bernard Lievegoed’, eveneens op die datum gelanceerd, werd gefocust op jonge studenten in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, op wie Bernard Lievegoed zijn initiatief afstemde, waarna hij vervolgens wilde koersen op een Vrije Europese Academie voor Wetenschappen. Daarbij vroegen wij naar de rol van de wetenschap in de maatschappij en naar de geestelijke achtergrond van het werk van Lievegoed, in het kader van de maatschappelijke betekenis van de antroposofie.

Recapitulatie

oognaaldIn ‘Waarom eigenlijk?’ op 3 februari ging onze eigenlijke correspondentie van start, waarbij jij, Jelle, uitging van de vraag waarom wij ons met Lievegoed willen bezighouden. Voor jouzelf lag dat in de eerste plaats in een bepaald gevoel van onafheid in verband met Over de redding van de ziel. Lievegoed onderzocht daarin de geestelijke achtergrond van de vraag waarom de antroposofie zich in een maatschappelijk isolement bevindt. Het heeft tot lang na publicatie geduurd voordat jijzelf echt begon te begrijpen hoe dat volgens Lievegoed zat. ‘Bernard Lievegoed wilde de wekroep van Mani met de middelen van de antroposofie in het centrum van zijn handelen plaatsen’, schrijf je daar. Dat zou je willen onderzoeken. Een cultuur van het hart was waar het hem en ook jou om gaat.

In ‘Opheldering zoeken’ op 20 februari keek ik naar mijn eigen relatie met Lievegoed, hoe ik hem in en buiten de Zonnehuizen in de jaren tachtig was tegengekomen. Dat betrof ook zijn belangstelling voor mysteriestromen. Was zijn opkomende interesse voor het manicheïsme helemaal aan het eind van zijn leven dan wel zo anders en bijzonder?

Jij riposteerde in ‘De wil tot het goede’ op 10 maart dat er, ondanks de onderlinge verwantschap die er zeker ook bestaat, een groot verschil is tussen de drie stromingen die Lievegoed op het eind van zijn leven zo duidelijk onderscheidde, en die aangevoerd worden door Steiner, Rosenkreutz en Mani. Bij de antroposofie staat in zekere zin de vraag naar de waarheid voorop, wat, als je niet oppast, makkelijk kan ontaarden in een onvruchtbare opstelling. Om juist het goede te gaan doen, om niet stil te blijven staan maar in het handelen te komen, is er niet zo’n uitgestippelde route. Dan moet je je vol vertrouwen durven storten in het onbekende, zonder van een goed resultaat verzekerd te kunnen zijn. ‘De wil tot het goede leidt tot handelingen inzake mensenrechten, armoede, milieubeheer, misbruik in alle mogelijke vormen’, gaf jij als voorbeelden hiervan, waarbij antroposofen echter aan de zijlijn staan. ‘Abstracties overwinnen’ las ik ook in jouw slot, en dat is iets wat iedereen tegenwoordig wel uit eigen ervaring kan herkennen.

In mijn ‘Gevoelstemperatuur’ op 24 maart sputterde ik een beetje tegen het aanbrengen van een al te strikte scheiding tussen hoofd en hart, denken en doen, theorie en praktijk. Ik zocht naar concreetheid, zoals Lievegoed die voorleefde, om deze scheiding te kunnen opheffen. Ook om de abstracties voor te blijven. Die concreetheid bestaat voor mij bijvoorbeeld uit de persoonlijke levenservaringen van mensen; die kunnen hierbij een goede leidraad zijn. De drie biografieën in Over de redding van de ziel waren in dit opzicht voor mij een schoolvoorbeeld. En de ontwikkelingen die hadden plaatsgevonden in de initiatieven die Bernard Lievegoed had genomen, sinds hij was overleden, ook die leken mij een goed richtsnoer te kunnen vormen in ons spirituele zoeken.

Kind met duifIn jouw laatste brief, ‘Oorspronkelijke impuls’ van 8 april, gaf je te kennen niets te zien in dualiteiten die ik hiervoor noemde. En je toonde je geprikkeld dat ik je te grote woorden toedichtte, alsof ik wat je schreef theoretisch zou vinden. Je voerde dat terug op een mogelijk verschil in kijkrichting. Maar dat verschil beleef ik helemaal niet zo; en theoretisch vind ik jouw benadering al helemaal niet! Ik probeer wel eerlijk naar mijn beperkingen te kijken en aan te geven wanneer ik dingen tegenkom die ik niet uit mezelf kan putten, zodat ik moeite moet doen om erbij te komen. Als ik het over fikse beweringen en reuzenstappen heb, bedoel ik dat ik kleinere tussenstappen nodig heb en zaken eerst nader moet bekijken en ontleden, voordat ik me die eigen heb gemaakt. Het zegt dus meer over mijn eigen onvermogen, dan dat ik kritiek op jou uitoefen. Daar zie ik en heb ik ook helemaal geen reden toe.

Erg mooi vind ik jouw formulering van de verschillende ‘regionen in de (geestelijke en aardse) werkelijkheid’. In mezelf beleef ik al verschillende regionen, waar ik verschillend mee moet omgaan. Dan is het niet moeilijk om die ook in het groot te herkennen. En dat we onderling verschillende aanzetten kennen, dat is ook niet vreemd. Jij hoopt dat Hans die van hem nog eens wil accentueren, misschien helpt dat in onze zoektocht. Ik heb niet zo veel ervaring met zo’n discours; het is voor mij al een hele onderneming om zo’n correspondentie zoals wij die nu voeren gestalte te geven. Maar ik verlaat mij graag op mensen met meer ervaring en ben altijd benieuwd wat anderen hebben in te brengen.

Ficino

Deze brief is alweer veel te lang geworden; dat heeft ook te maken met mijn behoefte om te recapituleren en enigszins orde te scheppen. Lezen en herlezen helpt mij namelijk om te pakken te krijgen waar het eigenlijk om gaat. Er waren nog twee dingen die ik graag in deze brief ter sprake wilde brengen. Het voert echter te ver om dat nu ook werkelijk te doen. Misschien de volgende keer. Maar ik mag nu vast wel een tipje van de sluier oplichten.

Ik las namelijk ‘Makrokosmos und Mikrokosmos’, de reeks voordrachten die Steiner in 1910 in Wenen hield (GA 119 voor de kenner) en die gepland staat voor volgend voorjaar als nieuwe uitgave in de reeks van de Rudolf Steiner Vertalingen. Dat was Lievegoeds favoriete reeks, zoals hij bijvoorbeeld in ‘Mens op de drempel’ uiteenzette. Ik was er nooit aan toegekomen en had die dus nog niet eerder gelezen. Mij trof in de laatste twee voordrachten dat Steiner blijkbaar al die tijd had toegewerkt naar een goed begrip van de ‘logica van het hart’, die de ‘logica van het verstand’ moet gaan aflossen. Dat is een buitengewoon interessant thema. Bovendien vielen mij bepaalde overeenkomsten op met die andere favoriete reeks van Lievegoed, veertien jaar later door Steiner gehouden: ‘Het bewustzijn van de ingewijde’ (GA 243). Ik kan het nu alleen maar noemen en er niet op ingaan.

FicinoHet andere is waar ik mee begon, de geschiedenis van de Lievegoed Zorggroep, beschreven door Huib van den Doel. Zijn boek is tegelijk ook een persoonlijke geschiedenis, omdat hij zelf er zo nauw bij betrokken was. Hij was namelijk gedurende ruim twaalf jaar voorzitter van de Raad van Toezicht, van 1998 tot 2011, en heeft in die hoedanigheid de beide eerdergenoemde fusies in letterlijke zin meegemaakt. Hij was trouwens ook nog op andere manieren betrokken bij de antroposofische gezondheidszorg. Nu is het interessante dat hij de spirituele bronnen van deze gezondheidszorg in het derde hoofdstuk nader onderzoekt, en deze, in tegenstelling tot wat in antroposofische kringen gebruikelijk is, terugvoert tot de Renaissance. De hoofdbron van de antroposofie was in de zestiende eeuw in Europa een breed aanvaard gedachtegoed, zo stelt hij. Hij voert daarbij in concreto Marsilio Ficino (1433-1499) aan, en noemt hem een neoplatonist die, ‘na als arts te zijn opgeleid, filoloog, filosoof en priester’ is geworden. In diens kielzog noemt hij verder Paracelsus (1493-1541) als belangrijke exponent van een nieuwe geneeskunde. Pas daarna komt ook Ita Wegman aan bod (1876-1943) en uiteraard Rudolf Steiner (1861-1925) Lievegoed zelf komt er enigszins bekaaid vanaf. Hoe moeten we dit zien?

Met een hartelijke groet uit het Rotterdamse,

Michel Gastkemper

Oorspronkelijke impuls

Beste Michel,

Je meent dat mijn brief grote woorden, fikse beweringen en reuzenstappen met zevenmijlslaarzen bevat en dat de inhoud ‘theoretisch’ is. Ik zelf zie dat niet zo. Ik vind de gedachten die ik onder woorden probeer te brengen eigenlijk tamelijk praktisch, dichtbij zo je wilt, niet speciaal groot of klein. Ik vertrouw erop dat zij, als zij niet allen ter kennisneming aangenomen maar ook werkelijk gedacht worden, iets kunnen bewegen.

-aristotle (1)Ik wantrouw de toepassing van deze twee populaire begrippen, theorie en praktijk, die op een tweeheid berust, op een dit of een dat. In werkelijkheid maakten zij ooit deel uit van een drieheid, zie bijvoorbeeld Aristoteles, die het immers had over theoretische, praktische en productieve wetenschappen of ‘kunsten’. Verrassend is dat in de samenhang van zijn beschouwen theorie met denken, praktijk met voelen en productiviteit met willen te maken heeft. Praktijk met voelen? Juist die samenhang verdwijnt in de tweeheid van theorie en praktijk, het laatste wordt dan gezien als ‘doen’, als willen dus. Nu zul je misschien ook deze woorden groot en fiks en theoretisch vinden, als je naar Aristoteles verwijst, loop je tenslotte altijd het gevaar als een niet zo praktisch mens te worden gezien. Ligt hier misschien het punt waar onze kijkrichtingen uit elkaar gaan?

Maar laat ik productief blijven… Mijn punt is dat de antroposofie weliswaar alles omvat – je gebruikt het mooie beeld van het zaadje – maar tegelijk zich in een heel bepaalde geestelijke ‘regio’ bevindt, namelijk die van de indaling van de kosmische intelligentie in de menselijke ervaring. Je kent de imaginatieve voorstelling die Rudolf Steiner ontwikkelde: de aartsengel Michaël (op weg een archai te worden) doet afstand van het beheer van de kosmische intelligentie en legt de verantwoording ervoor in de hoofden en harten van de mensen. De taak van de antroposofie is dit proces in beweging te brengen, tot in het openbare leven, en daarvoor is volgens Steiner nodig, dat de harten van de mensen tot een orgaan-van-inzicht worden.

Nelson MandelaEr zijn echter andere regionen in de (geestelijke en aardse) werkelijkheid, die aan de ene kant op het lukken van bovengenoemde indaling aangewezen zijn, maar aan de andere kant een geheel eigen dynamiek hebben, met specifieke intenties en gedragingen. Om een voorbeeld te noemen: de taak van Nelson Mandela lag niet in het omvormen van de kosmische intelligentie, maar in het overbruggen van afgronden tussen grote groepen van mensen, het overwinnen van de apartheid dus. In zijn ‘denken’ zijn inderdaad krachtige ‘michaëlische’ elementen te vinden, die hij nodig had om de juiste koers te vinden en eraan vast te houden. Maar de kern van zijn werk ligt niettemin in een andere regio van de werkelijkheid: hij ‘offerde’ zijn vrijheid om de weg tot het inclusieve sociale leven vrij te maken. Het biografische offer is een kenmerk van het manicheïsme in de zin van Bernard Lievegoed.

-Mandela_2_0Nu is Nelson Mandela, net als Aristoteles, natuurlijk ‘groot’ en ‘fiks’, het is waarschijnlijk ‘praktischer’ naar de ‘dagelijkse’ dingen te kijken. Mandela zelf zou echter zeggen: mijn leven was verdomd dagelijks! Maar goed, kijken we naar de ‘dagelijkse dingen’, naar ‘ons’, ik bedoel nu naar Hans, naar jou, naar mij, naar hoe wij met elkaar varen… In deze constellatie, die ik ‘karmisch’ noem, komen naar mijn gevoel drie perspectieven samen, die met enige goede wil te herkennen zijn. Ik begin bij Hans, want in hem vond onze ‘onderneming’ de start. Mij raakt steeds maar weer het feit dat hij ons in de gesprekken, maar ook tussendoor in zijn e-mails, op een heldere en besliste manier voortstuwt, hij wil beweging brengen. Hij is niet op de eerste plaats in bepaalde ‘waarheden’ geïnteresseerd, die hem gepakt hebben en die hij in het middelpunt wil plaatsen, maar heeft een oog voor de waarheden van andere mensen en wil ze in gesprek brengen, wil dat er een ruimte wordt geopend, waar de verschillende ‘waarheden’ in een ‘productieve’ dialoog komen, die tot ‘iets’ leidt. Wat dit ‘iets’ precies betekent, weet ik nog niet, dat hindert ook niet, maar het heeft op de een of andere manier met een gemeenschap te maken, misschien met wat wij de ‘antroposofische beweging in Nederland’ plegen te noemen.

Bij jou, Michel, ervaar ik iets anders. Om te beginnen ben je, net als ik, niet een persoon die voortstuwt, je wacht eerder af, wikt en weegt, blijft bij de kleine-grote dingen van het leven, blikt op ontwikkelingen, vertragingen, mogelijkheden, versperringen… Maar net als Hans zijn het niet bepaalde waarheden die in je branden, eerder ervaar ik het zo dat je in een verantwoording staat, die je overigens zelf hebt gekozen, en waar je ogenschijnlijk vanzelfsprekend trouw aan blijft. Je weblog is hiervan een mooi voorbeeld. Je brengt een zekere rust mee, een innerlijke terughouding, die ruimte biedt voor bewuste verandering, voor omvorming. Ook bij jou gaat het om een gemeenschap, misschien ook wel ‘de antroposofische beweging in Nederland’, maar een beetje sterker als bij Hans kijk je daarbij ook naar de maatschappij. Bij jou ontstaat het beeld van een soort van innerlijke werkplaats, een lab, waar mensen niet zondermeer toegang toe vinden of krijgen, en waar jij haast onzichtbaar voor ‘de gemeenschap’ werkt. Het werk zelf promoot je niet, maak je in zekere zin niet eens kenbaar. Mensen merken het of merken het niet.

Over mijzelf iets zeggen vind ik lastig, maar waar is zeker dat ik door bepaalde ‘waarheden’ gevoerd wordt. Mij heeft een heel bepaalde visie gegrepen, die ik ook steeds weer onder woorden breng. Iemand heeft mij ooit ironisch een ‘profeet’ genoemd, deze karakterisering – de ironie inbegrepen – kan ik accepteren. Wat bij mij niet sterk aanwezig is, is de oriëntatie op een bepaalde grotere gemeenschap, ik heb alleen een relatie tot kleine groepen, tot mensen en constellaties van mensen die ik met naam en toenaam ken. Als het om zoiets als ‘de antroposofische beweging in Nederland’ gaat, ben ik eerder sceptisch, of anders gezegd: ik heb geen gevoel voor de ‘eenheid’ die deze naam draagt. Mijn ‘waarheden’ hebben betrekking op de ‘missies’ van mensen, op de spirituele betekenis van wat individuele mensen doen.

-dijkTot zover mijn beschrijvingen van Hans, van jou en mij, van onze ‘constellatie’. Ik kan, maar dat begrijp je, in de context van deze brief op dit punt niet echt uitpakken; over zulke dingen in de openbaarheid schrijven gaat nu eenmaal niet. Maar ik geloof dat ik voldoende heb gezegd om er een idee van te krijgen van wat – in de zin ook van de cultuur van het hart van Lievegoed – bedoeld kan zijn met samenwerking. In productieve gemeenschappelijke bezigheden, die overigens naar mijn mening in de samenhang van instituten alleen met de positieve inzet en de onbevangenheid van alle betrokkenen te realiseren zijn, spelen altijd verschillende intenties, vaardigheden en werkstijlen een grote rol. Die moeten niet alleen gerespecteerd, maar ook actief ondersteund en vrij gemaakt worden.

Instellingen – bijvoorbeeld zogenaamde geldgevers – leggen zich institutioneel vast, zij menen min of meer objectieve ‘regels’ te moeten opstellen om transparant te kunnen handelen, formuleren in andere woorden beleid. Het verlangen naar helderheid is uiteraard terecht, de vraag is alleen of die in ‘beleid’ kan worden gevonden. Ik geloof daar niet meer in, domweg omdat beleidsmatige richtlijnen altijd op de ervaringen van de dag van gisteren berusten. Zij hebben de neiging zich als een sluier te leggen over de dingen die zich vandaag aandienen. Of om het menskundig te zeggen: onze voorstellingen (daar zijn we wakker) zijn nooit in staat onze wilsimpulsen (daar slapen we nog) te voorspellen. Ik ben er dan ook geen voorstander van als Stichting Parsifal Fonds vast te leggen wat we precies willen, ik denk dat we dit eenvoudig nog niet weten, hoogstens hebben we een vermoeden, een gevoel (daar dromen we) van een richting… In de antroposofische beweging, zo is mijn indruk, bestaat echter onder invloed van het maatschappelijke denken steeds sterker de neiging zich in de wereld van de voorstellingen terug te trekken, wat inhoudt dat ‘conceptioneel’ gewerkt wordt. Het gevolg is dat steeds meer mensen met wat zij werkelijk willen buiten het speelveld komen te staan, je zou kunnen zeggen: toeschouwer worden.

-dijk-4-koehool-ogbVan belang lijkt mij te zijn dat we ons laten leiden door de oorspronkelijke impuls van Hans, in zijn ‘wil’ heeft onze samenwerking een begin gevonden, een startpunt. Om ‘zoden aan de dijk te kunnen zetten’ (Wat bedoel je hier eigenlijk mee? Wat zweeft je daarbij voor ogen?) zullen we stil moeten staan bij de intenties van Hans. Misschien moeten we hem bij deze briefwisseling betrekken? Ik ben benieuwd naar je reactie.

Jelle van der Meulen