Bernard Lievegoed

Door dr. Hugo S. Verbrugh

Lemma ‘Bernard Lievegoed’, opgenomen in Kritisch Denkers Lexicon 1990

Biografie

Bernard-Lievegoed-De-levensloop-van-de-mens-Ontwikkeling-e-20630623Bernard Cornelis Johannes Lievegoed werd op 2 september 1905 geboren in Medan, Sumatra. Op zijn twaalfde kwam hij op Java wonen; hij bleef er tot 1923. Zijn jeugd in het voormalige Nederlandsch-Indië heeft grote betekenis voor hem gehad. De natuur, de vanzelfsprekendheid waarmee mensen in dat land spraken over wat wij in het Westen ‘bovenzinnelijke ervaringen’ noemen, de culturele smeltkroes van Indonesiërs, Chinezen, Europeanen, de grote variatie in sociale en religieuze gebruiken van de islamitische, hindoeïstische, christelijke en andere bevolkingsgroepen – deze en vele andere kenmerken van het voormalige Indië hebben zijn karakter en zijn professionele ontwikkeling sterk bepaald. Later in zijn leven kon hij daarover boeiend vertellen – onder meer in een vraaggesprek met de journalist Jelle van der Meulen, gepubliceerd onder de titel ‘Het oog van de naald’, waaraan veel gegevens voor dit overzicht zijn ontleend. Zo vertelt hij bijvoorbeeld over de man die in zijn dorp veel aanzien genoot omdat hij erg rijk was; maar de betreffende man bezat geen geld, geen grond, helemaal niets. ‘Waarom is hij dan rijk?’, vroeg Bernard. ‘Die man is rijk omdat hij veel mensen geholpen heeft’, kreeg hij als antwoord.

In april 1924, toen hij bij familie in Den Haag verbleef, vernam hij voor het eerst iets over Rudolf Steiner (1861-1925) en de antroposofie: dit gebeurde in een, uiterlijk gezien, terloopse, ogenschijnlijk onbelangrijke ontmoeting met een theosoof. Het gesprek ging onder meer over de brand die met Kerstmis 1922 het ‘Goetheanum’ had verwoest. In dit ‘Goetheanum’, gelegen in Dornach bij Bazel, was (en is) het internationale centrum van de antroposofische beweging gevestigd. Het oorspronkelijke gebouw was destijds nog door Rudolf Steiner zelf ontworpen, en de brand ervan speelt een grote rol in de geschiedenis van de antroposofie. Lievegoed kreeg, hoewel hij op dat moment nog nimmer van Steiner of de antroposofie had gehoord, bij het horen van het nieuws van deze brand een beleving die wij thans als ‘psychedelisch’ zouden aanduiden; later heeft hij zelf gezegd dat hij achteraf het gevoel had: ‘de ontmoeting met die man, juist op dat moment, lag besloten in mijn karma’. In datzelfde jaar sprak Rudolf Steiner in den Haag; Lievegoed ontmoette hem toen, en ook in het volgende jaar, echter niet, wat hij zelf later in zekere zin als een, wellicht karmisch medebepaald verzuim heeft aangemerkt.

Vanuit later door hem zelf als naïef en onoprecht ontmaskerde idealistische motieven koos hij voor de studie geneeskunde – in Groningen, ten einde zo ver weg mogelijk te zijn van Leiden, waar alle Indische bekenden zaten. De belangstelling voor de antroposofie bleef, werd sterker en na zijn arts-examen zag hij af van zijn aanvankelijke plan om in het regulier-natuurwetenschappelijke kankeronderzoek te gaan promoveren. Ontmoetingen met prominente antroposofen, met name met de beide artsen Willem Zeylmans van Emmichoven, de eerste voorzitter van de Antroposofische Vereniging in Nederland, en Ita Wegman, die als voormalig persoonlijk medewerker van Steiner destijds de eerste persoon in de antroposofisch medische beweging was, inspireerden hem tot de oprichting van een tehuis voor kinderen met een verstandelijke beperking. In 1931 vestigde Lievegoed zich in Zeist als huisarts om geld te verdienen en richtte daarnaast het nog steeds bestaande ‘Zonnehuis’ voor mentaal gehandicapte kinderen op. Tevens werd hij al in de jaren dertig door Zeylmans gevraagd als lid van het bestuur van de Antroposofische Vereniging. Na de dood van Zeylmans in 1961 volgde Lievegoed hem op als voorzitter, wat hij tot 1975 bleef; overigens blijven zijn bestuurlijk-antroposofische werkzaamheden hier buiten beschouwing. In 1939 promoveerde hij op een proefschrift over de therapeutische werking van de muziek bij in hun ontwikkeling gestoorde kinderen.

Na de oorlog kwam een nieuw moment in zijn professionele ontwikkeling door ontmoetingen met Willem Stork van de Stork Machinefabrieken in Hengelo en andere voormannen uit het Nederlandse bedrijfsleven. Via deze contacten werd hij adviseur op het gebied van de opleiding van ongeschoolde fabrieksjeugd. Als uitvloeisel van deze activiteiten werd hij in 1953 door de toenmalige Nederlandse Economische Hogeschool (NEH) in Rotterdam voor een hoogleraarschap benaderd. Lievegoed wilde wel, maar stelde voor de leerstoel ‘sociale ecologie’ te noemen. Zijn gesprekspartners aan de NEH waren hun tijd niet zo ver vooruit als Lievegoed en vonden dat geen goede naam; de leerstoel en de benoeming kwamen er niet. Pas in 1954 werd hij (buitengewoon) hoogleraar in de ‘sociale pedagogiek’ in de NEH. Bij zijn benoeming had hij de voorwaarde gesteld een eigen instituut te mogen stichten; dat werd het ‘Nederlands Pedagogisch Instituut voor het bedrijfsleven’. Aanvankelijk stond het in Rotterdam, sedert 1957 was het gevestigd in Zeist; het werd later bekend als het ‘NPI – Instituut voor Organisatieontwikkeling’. Tot 1971 bleef hij daaraan, eerst als directeur, later als medewerker verbonden.

In 1962 werd Lievegoed door minister Cals benaderd voor de oprichting van wat thans de Universiteit Twente heet; in 1963 werd hij daar stichtingsdecaan van de sociale faculteit en gewoon hoogleraar in de sociale bedrijfskunde. Al die jaren was hij eveneens uiterst productief met lezingen, voordrachten, cursussen, werk in commissies, publicatie van artikelen en anderszins. Onder meer richtte hij met drie Duitse hoogleraren een organisatie op van antroposofen die aan universiteiten doceren: de Vrije Europese Academie van Wetenschappen.

Onvrede over het naar zijn oordeel en ondanks zijn inspanningen in Rotterdam en Twente toch te eenzijdig intellectueel-schoolse onderwijssysteem aan de Nederlandse universiteit bracht hem er toe na zijn emeritaat een eigen, particuliere instelling voor tertiair onderwijs te starten. In 1971 richtte hij de ‘Vrije Hogeschool’ te Driebergen op, waar hij tot 1982 rector van bleef. Naar aanleiding van de bouw van dit instituut verdiepte hij zich ook in de, mede door Rudolf Steiner zelf nog geïnspireerde ‘organische architectuur’, die sindsdien met name door het werk van architect Ton Alberts van (onder meer) het hoofdgebouw van de (voormalige NMB-, thans) ING Bank in Amsterdam Zuid-Oost bekend geworden is. In 1983 kreeg hij de Gouden Ganzeveer van de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond uitgereikt. De laatste tien jaar van zijn leven is Lievegoed vooral actief gebleven in het kader van de Vrije Hogeschool en heeft hij zich geconcentreerd op werk dat hij voordien naast al zijn wetenschappelijke en maatschappelijke functies erbij had gedaan: als auteur van boeken en andere geschriften en als leraar op het gebied van vooral de esoterische aspecten van de antroposofie. Hij overleed op 12 december 1992 in zijn woonplaats Zeist.

Kritische beschouwing

Das Gute TunLievegoed is niet bekend geworden als auteur van oorspronkelijke filosofische of anderszins theoretische gedachten. Een goed trefwoord om de betekenis van zijn werk samen te vatten is creatieve samenwerking: de naam van een van de cursussen van het door hem opgerichte NPI. Met zijn nadruk op handelen in plaats van op theorie en op gezamenlijke creativiteit in plaats van op individuele kritische vermogens, typeert dit Lievegoeds werk trefzeker.

Impliciet leeft in die naam ook de verwevenheid van twee motieven die vaak genoemd worden in verband met leven en werk van Lievegoed: het therapeutische en het oordelende. Beide zijn nodig om sociale verbanden te laten functioneren; weinig mensen kunnen zowel juiste oordelen vellen als effectief therapeutisch werken, en juist in deze combinatie was Lievegoed sterk.

Kenmerkend voor Lievegoed is verder de synthese die zijn persoonlijke levensloop, zijn theoretische geschriften en zijn directe praktische werkzaamheden met elkaar vormen. De meest geëigende systematiek voor een beschouwing van het werk van Lievegoed ligt daarom in zijn eigen biografische ontwikkeling. Twee rode draden karakteriseren deze levensloop: de theorie en praktijk van het leven van mensen in sociale verbanden en de antroposofie. Deze laatstgenoemde draad moet hier even kort verder gesponnen worden aangezien zij buiten de kring van de (in Nederland ruim 4000) leden van de ‘Antroposofische Vereniging’ betrekkelijk onbekend is.

Antroposofie

‘Anthroposophie’ is de naam van het systeem van leven en denken dat Rudolf Steiner (1861-1925) in het eerste kwart eeuw van de twintigste eeuw heeft geformuleerd, uitgewerkt en geleerd (het woord anthroposophie heeft hij niet zelf bedacht; dat komt al bij verschillende Duitse auteurs in de negentiende eeuw voor). Het is een combinatie van filosofie, wetenschap, wereldbeschouwing en religie. Omdat het nauw verbonden is met de persoon van zijn stichter, moeten daarover enkele woorden gezegd worden.

Steiner werd geboren in 1861 in een dorpje in het voormalige Joegoslavië dat destijds deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije. Hij was wat we nu zouden noemen ‘paranormaal begaafd’ en heeft zijn leven, bezien vanuit dit ene gezichtspunt, besteed om dit zogenaamd ‘paranormale’ om te werken tot een volstrekt normale dimensie van het bestaan. De toegang tot deze, soms wel ‘hogere wereld’ genoemde dimensie kan ieder mens vinden die zich enige geestelijke inspanning getroost; binnen deze wereld raakt men dan vertrouwd met inzichten die die zónder deze geestelijke inspanning verborgen blijven. Steiner studeerde wis- en natuurkunde, werkte enige jaren in het Goethearchief in Weimar, waar hij een geannoteerde uitgave van Goethes natuurwetenschappelijke geschriften verzorgde, en kwam rond 1900 in contact met de theosofen. Hij werd al gauw een van de leidende figuren binnen deze beweging, leerde ook in dat kader echter uitsluitend datgene waar hij persoonlijk achter kon staan en verbrak dan ook de relatie met hen nadat deze theosofen begonnen waren de Hindoejongen Krishnamurti te promoten als degeen in wie Christus zou reïncarneren (1913). Hij kon ook moeilijk anders, want in zijn vanaf dat moment als ‘antroposofie’ benoemde systeem staat het denkbeeld van karma en reïncarnatie weliswaar even centraal als in de theosofie (zij het met een paar essentiële verschillen in uitwerking), maar neemt de betekenis van Christus voor de ontwikkeling van de mensheid een zó volstrekt unieke plaats in, dat enigerlei associatie aan een nieuwe incarnatie van Christus in een menselijk wezen ondenkbaar is.

Voor een adequate beschrijving en waardering van het werk van Bernard Lievegoed zou een uitvoerige karakterisering van de antroposofie noodzakelijk zijn en daarvan kan in dit bestek geen sprake zijn. Een paar aspecten van Steiners filosofie moeten echter, omdat ze een centrale rol spelen in het werk van Lievegoed, hier nog wel kort aangeduid worden.

Vrijheid, karma en reïncarnatie

Alpha en omega, tegelijk het enige absolute principe van de antroposofie, is het motief van de vrijheid als kern van het antroposofisch mensbeeld. De mens is geschapen om een nieuwe kwaliteit toe te voegen aan de werkelijkheid, namelijk de vrijheid. In plaats van ‘geschapen is om…’, kan men met evenveel recht zeggen ‘zich in de evolutie zó ontwikkeld heeft dat hij de vrijheid als een nieuwe kwaliteit kan toevoegen…’; uit de absoluutheid van het principe van de vrijheid vloeit voort, dat deze twee formuleringen complementair zijn.

Geschiedenis en toekomst van de mensheid worden in de antroposofie gezien als een ontwikkelingsproces waarin de verwezenlijking van de vrijheid het centrale motief is. Twee thema’s zijn voor een goed begrip deze ontwikkeling van bijzonder belang: het denkbeeld van karma en reïncarnatie, dat in de komende decennia steeds sterker ook een ervaringsgegeven moet en zal worden, en de drieledigheid. Karma en reïncarnatie heeft in het werk van Lievegoed in de eerste plaats een rol gespeeld in zijn werk met kinderen met een handicap en zal daarom in dát verband besproken worden; over de drieledigheid moet in een aparte paragraaf iets gezegd worden.

Drieledigheid

Omdat Lievegoed het drieledig aspect van Steiners mensbeeld als uitgangspunt heeft genomen voor zijn muziektherapeutische onderzoek waarop hij gepromoveerd is, kan de drieledigheid in eerste aanleg goed in Lievegoeds eigen termen gekarakteriseerd worden.

In zijn proefschrift bespreekt Lievegoed de drieledigheid in termen van de polariteitspsychologie van Friedrich Schiller. In deze filosofie leeft de mens in een spanningsveld tussen Form– of Geistestrieb en de Sach– of Stofftrieb; het veld tussen de beide ‘Triebe’ heet bij Schiller de Spieltrieb. Lievegoed wijst er met nadruk op, dat het woord ‘Trieb’ hier niet vertaald kan worden met ‘drift’: ‘men zou het óf moeten omschrijven óf misschien in de aangegeven samenhang met het woord ‘principe’ moeten aanduiden’ (blz. 30). In het bereik van de ‘Formtrieb’ is de mens onderworpen aan de objectieve, starre wetten van de logica en de levenloze natuur. De ‘Sachtrieb’ is het omgekeerde: de sfeer van de emoties, de subjectieve neigingen, de levensdriften. In beide ‘principes’ is de mens ten principale onvrij; maar doordat hij óók, zelfs bij uitstek, leeft in de ‘Spieltrieb’, in het midden tussen de eenzijdigheden van starre logica en dode wetmatigheden enerzijds en emotionele ongebreideldheid en chaos anderzijds, kan hij, voor zover het hem lukt zijn ware zijn in een harmonisch evenwicht tussen ‘Formtrieb’ en ‘Sachtrieb’ te realiseren, wel vrij worden.

Uit deze verwijzing naar Schiller blijkt al, dat deze drieledigheid niet een oorspronkelijke vondst van Steiner is. Integendeel, het idee van de mens als levend in het midden tussen twee polen, is bijna letterlijk zo oud als de wereld. In de antroposofie is dit idee uitdrukkelijker dan in enige andere contemporaine filosofie een van de hoekstenen van het mensbeeld. Overal en altijd waar in of aan of met antroposofische ideeën en inzichten wordt gewerkt, komt dit motief terug. Trefwoorden om de drieledigheid te karakteriseren zijn ‘bovenpool-middengebied-onderpool’ resp. ‘denken, voelen, willen’. Bij het gebruik van deze termen moet men zich goed realiseren dat deze woorden in dit verband uitdrukkelijk in een specifieke, ‘vaktechnische’ zin bedoeld zijn. ‘Denken’ omvat namelijk ook de zintuigfuncties; het bedoelde principe heet ook wel ‘bovenpool’ omdat, louter topografisch, de hersenen en de meeste zintuigen bovenin het lichaam gelokaliseerd zijn. Hiermee wordt de pool bedoeld, die bij Schiller de Formtrieb heet. Evenzo vallen, aangezien men zonder spieren en andere stofwisselingsorganen niets daadwerkelijk kan ‘willen’, alle stofwisselingsprocessen binnen het bereik van wat met ‘willen’ of de ‘onderpool’ wordt aangeduid (merk op dat daadwerkelijk willen is iets anders dan vrijblijvend speculeren over wat men misschien zou kunnen willen).

Essentieel is het idee van de polariteit. Enerzijds kan men helemaal niets denken zonder dat men ook wil denken, oftewel zonder dat zich een actieve stofwisseling, dat wil zeggen een onderpoolactiviteit, in de hersenen, dus in de bovenpool, afspeelt. Anderzijds heeft men tot in het verste puntje van de tenen, de onderpool, ook zintuigen, oftewel een manifestatie van de bovenpool. Overal en altijd leeft de mens in het midden tussen de dode, starre, onbeweeglijke bovenpool en de ál te levende, chaotische, bewegelijke onderpool; niet voor niets is ‘voelen’ tot in de woorden van de taal verwant met zowel de bovenpool als de onderpool: ‘sense-organ’ betekent zintuig, ‘e-motie’ is verwant met ‘movere’ dat bewegen betekent. Ritme, de bewegingsvorm van hart, bloed en ademhaling, is de perfecte synthese tussen de onbeweeglijke starheid van de bovenpool en de bewegelijke chaos van de onderpool.

Vier etappes

Bernard Lievegoed is op een, ook internationaal bezien, zeldzame manier geslaagd in een stuk verwerkelijking van een doel waarnaar veel antroposofen streven, namelijk om althans iets van de wijsheid en de idealen waartoe men via de antroposofie toegang heeft in een vruchtbare verbinding te brengen met wat in de wereld buiten de antroposofie gebeurt. Evenzeer zeldzaam is de veelheid van werkgebieden waarop hij dit gedaan heeft.

Begonnen als arts, met name als (kinder)psychiater, heeft hij zichzelf gevormd tot bedrijfskundige en vanuit deze invalshoek gewerkt aan de ontwikkeling van individuele mensen en organisaties. Als hoogtepunt van deze etappe van zijn levenswerk kan zijn boek over de menselijke levensloop beschouwd worden. Daarmee verwierf hij waarschijnlijk zijn grootste bekendheid bij het algemene publiek. Ten slotte is hij vooral de laatste jaren van zijn leven ook buiten de kring van de antroposofen bekend geworden met enkele boeken over het mens- en wereldbeeld van de antroposofie en aanverwante esoterische onderwerpen. Zo kan, wanneer men althans deze rubricering niet al te pedant opvat, want Lievegoeds leven en werk vormt één geheel, en vooral wanneer men niet naar volledigheid streeft de beschouwing van zijn werk in vier etappes worden ingedeeld: die van de kinderpsychiatrie, de organisatieontwikkeling, de biografiek en de esoteriek.

Kinderpsychiatrie

Lievegoeds keuze voor de ‘heilpedagogie’, zoals het medisch-orthopedagogisch werk in de antroposofie veelal wordt aangeduid, werd rechtstreeks gemotiveerd door zijn verbinding met de antroposofie. Deze motivatie kan nader worden verklaard vanuit de terminologie. In de antroposofische ‘heilpedagogie’ spreekt men namelijk nooit van ‘geestelijk gehandicapte’ kinderen. In het mensbeeld van de antroposofie kan de geest als zodanig niet ziek worden, want die stamt, na in vorige levens in andere menselijke lichamen geïncarneerd te zijn geweest, uit de ‘geestelijke wereld’, waarin ziekte en andere aardse omstandigheden niet optreden. Alleen het lichaam, waarin de geest in dit leven geïncarneerd is, kan afwijking hebben; bij ‘heilpedagogische’ kinderen is dit veelal een aangeboren en/of erfelijke ziekte. Louter als gevolg daarvan kan de geest zich niet goed manifesteren. Door vanuit het antroposofisch mensbeeld geïnspireerde specifieke zorg aan deze kinderen te geven, kan men leren om dóór hun gestoorde lichamelijke gesteldheid heen met hun intacte geest te communiceren en zodoende althans iets van het denkbeeld van karma en reïncarnatie ook als ervaringsgegeven leren kennen.

Vrijwel uniek voor Lievegoed is dat hij, naast deze onversneden antroposofische benadering, ook een regulier wetenschappelijke aanpak nastreefde en dat hij daarmee niet alleen succes had, maar in sommige opzichten zijn tijd vooruit was. In een tijd waarin zowel de orthopedagogiek als de muziektherapie nauwelijks bestonden promoveerde hij bij E.A.D.E. Carp op een proefschrift over therapeutisch gebruik van muzikale elementen bij kinderen ‘met een ontwikkelingsstoornis’; dertig jaar later werd het in een artikel over muziektherapie in het Tijdschrift voor Psychiatrie als een ‘fundamenteel werk’ gekwalificeerd. En in het proefschrift zelf vinden we passages waarin we elementen herkennen van wat pas jaren later als ‘autisme’ zou worden beschreven (bijvoorbeeld: ‘Deze kinderen zullen alles vermijden, om een mens aan te hoeven zien, doch zijn steeds bezig met een blokje of een klosje. … Vandaar het … verschijnsel, dat vele dezer kinderen alles begrijpen … en toch niet spreken. En als zo’n kind dan ten slotte tot spreken komt, dan is de stem klankloos en automatisch als van een apparaat’, blz. 110).

Ook de constatering dat de terminologie ‘geestelijk gestoord’ steeds minder vaak gebruikt wordt, het succes dat orkestjes van verstandelijk gehandicapte kinderen de afgelopen jaren hebben gehad of de destijds geruchtmakende, met antroposofische ideeën en inzichten verwante aanpak van Carel Muller in ‘Dennendal’ kunnen illustreren dat Lievegoed met zijn werk in de heilpedagogie zijn tijd vooruit was.

Ten slotte worde in het kader van deze ‘etappe’ van Lievegoeds werk vermeld dat hij in 1946 het boek ‘Ontwikkelingsfasen van het kind’ publiceerde. Het is de neerslag van een clandestiene, tijdens de Duitse bezetting aan veelal ondergedoken toekomstige Vrije Schoolleerkrachten gegeven cursus. Ook hier staat uiteraard weer het drieledigheidsmotief centraal, nu in de eerste plaats in de vorm van het spanningsveld tussen het ware Ik van de mens in de sfeer van de geest, het lichaam in de stoffelijke wereld en de ziel in het midden.

Organisatieontwikkeling

‘Ontwikkeling’ en ‘creatieve samenwerking’ zijn kernmotieven in leven en werk van Lievegoed zoals hij zich naar buiten toe gemanifesteerd heeft; karma en de innerlijke strijd die ieder zelfbewust levend mens moet voeren om zijn bestemming in dit leven te (her)vinden, werken als esoterische motieven door in zijn levensloop. In overeenstemming hiermee is de overgang van het werk in de heilpedagogie naar het werk in de organisatieontwikkeling enerzijds een ontwikkeling geweest die bijna logisch volgde uit zijn werk in de heilpedagogie, anderzijds de realisering van een karmisch thema.

Wat het eerste betreft: het ‘Zonnehuis’ ontwikkelde zich na de oorlog voorspoedig. In 1946 telde het zestig kinderen en dertig medewerkers, in 1952 tweehonderd kinderen en een navenant aantal medewerkers. Het werd een bedrijf, er moest een beleid geformuleerd worden om de organisatie goed te laten functioneren en op die manier kwam Lievegoed op het spoor van wat hij zelf zou benoemen als ‘organisatieontwikkeling’ (zijn boek hierover uit 1969 ‘loopt’, thans in zijn 8e druk, nog steeds).

Innerlijk werd Lievegoed intussen met heel andere problemen geconfronteerd. Nadat zijn eerste echtgenote al kort na hun huwelijk in 1932 was overleden, stierf in 1945 een zoon aan difterie. Vooral dat laatste bracht hem tot een confrontatie met de vraag naar de zin van het leven. Via persoonlijke ontmoetingen met vooraanstaande figuren in het Nederlandse bedrijfsleven begon hij daarop aan het werk waarin hij zich in de volgende decennia een grote reputatie heeft verworven. In de uitwerking die hij ten behoeve van beter begrip van micro- en macrosociale processen heeft gegeven aan het antroposofisch mens- en wereldbeeld heeft hij baanbrekend oorspronkelijk werk verricht.

Macrosociaal heeft hij belangrijke bijdragen gegeven aan de filosofie van de bedrijfskunde door de nadruk erop te vestigen hoe overal en altijd concrete individuele mensen in even concrete grotere en kleinere sociale verbanden werken en zodoende een bedrijf als een levende, dus zich ontwikkelende organisatie draaiende – of, als het niet goed gaat, niet meer gaande – houden.

Op microsociaal niveau laat de uitwerking van de antroposofische visie onder het drieledig aspect zich samenvatten in de drie trefwoorden inhoud, interactie, procedure; ze zijn ook hier weer uitdrukkelijk bedoeld als vaktermen in de context van de drieledigheid. ‘Inhoud’ is het bovenpoolprincipe van het groepsproces. Dat zijn de denkbeelden waarover men spreekt, overlegt, onderhandelt, strijdt; dat is in principe een objectief gegeven. In werkelijkheid is deze inhoud echter nimmer zuiver objectief, omdat in een groep altijd concrete mensen met de inhoud bezig zijn. Idealiter volgen ze in die bezigheid een zodanige ‘procedure’, oftewel hebben ze een zo sterke gezamenlijke wil (onderpool!), dat ze snel en effectief hun gezamenlijke doel bereiken, maar dat lukt nooit helemaal. Terwijl ze daarmee bezig zijn, hebben ze behalve met de inhoud en hun gezamenlijke doel namelijk ook met elkaar te maken; hun ‘interactie’ bepaalt vanuit het gezichtspunt van de menselijke kenmerken en verhoudingen die in het voelen leven mede het groepsproces als geheel.

Biografiek

In zekere zin een afronding van Lievegoeds werk in de sociale theorie en praktijk is zijn boek over de levenloop van de mens. Het verscheen in 1976; de 15e druk dateert van 1991; in totaal zijn er 75.000 exemplaren van verkocht.

Lievegoed schetst hierin de ideaaltypische levensloop van de mens als een ontwikkeling in episodes van zeven jaar. Voor de eerste drie episodes is dit een al langer bekend stramien. Tandenwisseling annex schoolrijpheid, puberteit en volwassenheid worden van oudsher rond het 7e, 14 en 21e levensjaar gelokaliseerd; de vraag in hoeverre deze traditionele markeringen thans nog geldig zijn komt in de paragraaf Waardering aan de orde. Nieuw bij Lievegoed is de voortzetting van deze zevenjaarsritmen tot op hoge leeftijd. Het midden van het leven rond het 35e, de constatering veertien jaar later dat men, kwantitatief bezien, het grootste deel gehad heeft, de noodzaak om, wanneer men iets wil maken van zijn leven met steeds meer helderheid en bewustzijn te kiezen naarmate men dichter bij de 56 resp. 63 komt – meer dan enig ander geschrift heeft Lievegoed de tekst van dit boek uit zijn eigen levensloop gedestilleerd.

Esoteriek

Lievegoeds biografieboek kan gezien worden als de overgang van zijn carrière in de buitenwereld naar de periode van zijn leven waarin hij steeds meer ging concentreren op werk aan centrale antroposofische thema’s. Een van de vele geschriften waarin dit zijn neerslag vond is ‘Mens op de drempel – mogelijkheden en problemen bij de innerlijke ontwikkeling’ (1983).

Met de openingszin: ‘Uitgangspunt van dit boek is een uitspraak van Rudolf Steiner: “De mensheid is over de drempel gegaan”’, zijn inhoud en strekking trefzeker samengevat. Of de mensen willen of niet, of we het bewust oppakken dan wel verslapen – het is domweg een feit dat de mensen sinds enkele decennia meer over zich zelf en hun karma kunnen ervaren dan vroeger; en voor zover ze deze wezenlijk nieuwe mogelijkheden niet adequaat realiseren, krijgen ze navenant meer en sterkere nieuwe geestelijke, psychische en – gegeven dat de mens een eenheid is naar lichaam, ziel en geest – lichamelijke problemen. Deze principieel nieuwe situatie vraagt om een nieuwe psychotherapie en dit boek geeft behalve een beschrijving van de verschillende aspecten van de menselijke ontwikkeling tegen de achtergrond van het mens- en wereldbeeld van de antroposofie ook een beeld van de beginselen van een ‘biografische psychotherapie’.

Waardering

Hoe men het werk van Lievegoed waardeert en de betekenis ervan taxeert, heeft uiteraard alles te maken met hoe men over de antroposofie denkt en zich daarin, casu quo daartegenover, opstelt.

Een beschouwing over ‘de’ waardering van dit werk valt derhalve uiteen in twee paragrafen: één over de waardering binnen de kring van antroposofen, van hun beweging en van hun invloedssfeer, en één over de waardering van de mensen daarbuiten; maar helemaal zo schematisch als het lijkt werkt het in de praktijk niet, al was het maar omdat deze kring zeer onduidelijk begrensd is. Veel meer mensen dan de ruim vierduizend leden van de Antroposofische Vereniging voelen zich in meerdere of mindere mate verwant met veel van wat daar leeft en gaande is en horen dus in veel opzichten binnen deze kring. Afgezien van ieders persoonlijke ervaringen met en overtuigingen ten aanzien van de antroposofie als geheel, moet een kritische beschouwer er voorts ook rekening mee houden dat oordelen over de antroposofie zelve vaak vermengd zijn met oordelen over karikaturen van de antroposofie; maar het onderscheid tussen die twee is ook niet altijd simpel. Verder moet bedacht worden dat het werk van Lievegoed vooral bekend geworden in en via de sociale praktijk. Men vroeg hem lezingen of cursussen te geven en daar kwamen dan uiteraard voornamelijk mensen op af die al enige affiniteit hadden met wat ze konden verwachten. Ten slotte moet genoteerd worden dat de meeste mensen die zich in en rond de antroposofie bewegen, weinig tot geen affiniteit met, vaak zelfs een uitgesproken aversie tégen, discussie hebben. Intellectuele debatten worden in deze kringen zelden gevoerd; polemische confrontaties vinden nog minder plaats – althans in het openbaar; maar wat zich in de beslotenheid afspeelt, blijft in een schets als deze uiteraard ook buiten beschouwing. Door deze omstandigheden is het werk van Lievegoed in veel opzichten immuun voor een objectieve, neutrale of hoe dan ook te kwalificeren afstandelijk-onbetrokken kritiek.

Alleen onder deze voorbehouden zij dan gesignaleerd dat binnen de kring van antroposofen overwegend grote tot zeer grote waardering bestaat voor Lievegoed en zijn werk. Veel mensen hebben veel aan hem te danken en deze erkentelijkheid voor wat hij voor hen persoonlijk en/of hun sociale verbanden heeft gedaan, gaat vloeiend over in een positieve waardering voor zijn meer theoretisch werk. Twee punten van kritiek verdienen aangestipt te worden. Ten eerste hebben met name antroposofen zijn verbinding met, zoals zij dat dan zien, de verderfelijke wereld van het kapitalisme euvel geduid; deze kritiek lijkt me, mede omdat ze nimmer gethematiseerd is, in een kritisch-filosofische beschouwing minder relevant. Een tweede, wel relevante kritische overweging laat zich goed samenvatten in de parafrasering van de reactie van een onderwijzersechtpaar dat op latere leeftijd en na navenant veel ervaring in het onderwijs en in de omgang met kinderen, met de antroposofie in contact kwam. Daardoor leerden ze onder meer Lievegoeds kinderpsychologie kennen, maar herkenden daarin in eerste instantie weinig of niets van wat zij in hun eigen ervaring als juist en geldig en bruikbaar hadden leren waarderen. De oplossing voor deze paradox ligt in het hierboven als ‘ideaaltypisch’ aangeduide kenmerk van Lievegoeds beschrijvingen. Om een bekend woord van de in antroposofische kringen hoog gewaardeerde Goethe te citeren: ‘Was man weiss, das sieht man’; en wanneer men, bijvoorbeeld door grondige kennisname van het omvangrijke en diepzinnige werk van Steiner, zeer veel weet, bestaat uiteraard het risico dat men enerzijds meer, bijvoorbeeld grote verbanden en patronen, opmerkt dan iemand die minder weet, anderzijds minder oog heeft voor zaken die direct aan de oppervlakte liggen, bijvoorbeeld sprekende details. In het oordeel van sommigen geldt dit dus voor Lievegoeds werk; maar minstens evenveel anderen wijzen erop dat men in Lievegoeds geschriften telkens weer passages vindt waaruit blijkt dat hij ook op het niveau van het dagelijks leven en de alledaagse ervaring nauwkeurig wist wat er gaande was.

Buiten de kring van antroposofen en hen die zich min of meer met hen verwant voelen varieert de waardering ook, alleen op andere gronden en met andere achtergronden. Hier tekent zich een nog veel bredere scala af van instemming, via vage sympathie, niet per se afwijzende, min of meer neutrale oordelen en afwijzing, tot soms virulente weerzin. Twee van zulke oordelen zijn afkomstig van mensen die in elk geval in Nederland intellectueel gezag kunnen claimen. Het eerste bevindt zich in een recensie van ‘Mens op de drempel’ door Paul Schnabel in NRC Handelsblad van 14 mei 1984. Als tweede kan verwezen worden naar een passage uit het boek van J. Verkuyl over de antroposofie uit 1978: ‘Antroposofie en het Evangelie van Jezus Christus’.

Primaire bibliografie

Lievegoed heeft zeer veel gepubliceerd; hieronder zijn alleen de belangrijkste boeken vermeld. Tenzij anders aangegeven zijn ze uitgegeven bij Uitgeverij Vrij Geestesleven te Zeist.

Boeken

Maat – Ritme – Melodie; Grondslagen voor een therapeutisch gebruik van muzikale elementen. Proefschrift, Leiden, 1939; 2e druk 1969.

Ontwikkelingsfasen van het kind. 1946, 19682

Organisaties in ontwikkeling; zicht op de toekomst. Lemniscaat, Rotterdam, 1969, 19928

Naar de 21e eeuw; Antroposofie en de toekomst van de wereld. 1976 (19834)

De levenloop van de mens – Ontwikkeling en ontwikkelingsmogelijkheden in verschillende levensfasen. Rotterdam, Lemniscaat, 1976; 199215.

Mens op de drempel; mogelijkheden en problemen bij de innerlijke ontwikkeling. 1983.

Samenwerkingsvormen – Een serie lezingen. 1988

Vermeldenswaardige bijdragen in bundels samen met anderen

‘The Phases of Human Life’ in: K.E.Schaefer e.a. Individuation Process and Biographical Aspects of Disease, Futura Publishing Company, Mt. Kisco / New York, 1979, blz. 109-126

Het organische in de architectuur, in: Over Organische Architectuur, Delft z.j.

‘De medische impuls van Rudolf Steiner / De innerlijke ontwikkelngsweg van de arts’, Bijlage E 1/2 (blz. 66-79) bij ‘Rapport van de Werkgroep Anthroposofische Geneeswijze’, in: ‘Alternatieve Geneeswijzen in Nederland – Rapport van de Commissie Alternatieve Geneeswijzen (Muntendam)’, Staatsuitgeverij Den Haag, 1981.

Verzamelbundels

Lezingen en Essays, 1953-1986. 1987.

Secundaire bibliografie

‘Het oog van de naald – Bernard Lievegoed over zijn uiterlijke en innerlijke strijd – een vraaggesprek met Jelle van der Meulen’. 1992

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: